maandag 21 januari 2019

Hete Mutsen



Aan tafel zitten twee loonwerkers. Ze hebben hun overalls en jassen bij de deur uitgedaan, maar de mutsen opgehouden. Een vreemd gezicht, vind ik, en het lijkt me ook nogal zweterig. Toch is het heel normaal voor de werkers die ‘s winters bij ons aanschuiven. Hun mutsen zien er ook altijd hetzelfde uit: donkerblauw, met reclame van één of ander agrarisch toeleveringsbedrijf er op. Mijn boer heeft ook een paar van zulke hoofddeksels. Ze knetteren van de statische elektriciteit als je ze oppakt. Hij draagt ze graag in combinatie met zijn bodywarmer, een geschenk van weer een ander bedrijf.

We krijgen nogal wat cadeaus. En afgelopen december was het helemaal feest: wijn, wild, gebak, rollades, een sjaal, nog meer mutsen… Dat is natuurlijk wel leuk, maar het kan volgens mij alleen betekenen, dat er veel aan ons wordt verdiend.

Ik ruim de keukentafel leeg om ruimte te maken voor de kopjes. De tijdschriften schuif ik op een bult. Het zijn bijna allemaal landbouwtijdschriften, aan ons geadresseerd. We krijgen ze gratis toegestuurd. Hoewel, wat is gratis? Ik vraag me af hoe groot hun invloed is.
“Hard melken!” zie ik in vette letters op een glossy cover staan. Er staat een gefotoshopte koe onder, waarvan vooral de enorme uiers opvallen. Bah, denk ik.

Maar terug naar de koffie.

Als we allemaal genoeglijk zitten te drinken, stelt één van de werkers opeens een wel heel ongezellige vraag:
“Houden jullie ermee op?”
“Waarmee?” reageer ik verbaasd.
“Nou met het bedrijf?”
Alle hoofden draaien nu richting mijn boer.
“Waar heb je dat gehoord?” vraagt die.
“Uh, dat weet ik niet meer.”
“Is het niet zo dan?” vraagt de andere nu.
“Niet dat ik weet,” lacht mijn boer, “Iemand nog koffie?”

“Het heeft waarschijnlijk te maken met de verkoop van fosfaatrechten,” zegt hij, als we het er later nog even samen over hebben “Een paar mensen weten dat wij er wat verkocht hebben en daar zijn de praatjes vast begonnen.”

Fosfaatrechten heb je nodig om melk te mogen produceren en boeren willen er daarom zoveel mogelijk van hebben. Als iemand fosfaatrechten verkoopt, kan dat vanuit boeren perspectief alleen maar betekenen, dat die er de brui aan geeft.

”Dat wij groeien in kwaliteit, in plaats van kwantiteit, gaat hun boven de pet,” zucht mijn boer.
“Of muts,” prevel ik.

Ik sta vooral weer versteld van het geroddel van boeren onderling. Toen mijn boer en ik net een relatie hadden, wist iedereen het zeker: mijn boer zou met de melkster trouwen en ze was al zwanger van hem. Dit gerucht was gebaseerd op het feit, dat haar naam een paar letters gemeen had met die van mij.
Ik bedoel maar… Het valt blijkbaar niet mee zelf na te denken en het hoofd koel te houden. Óók niet voor degenen met gezond boerenverstand.

Best gevaarlijk.



Groentje

maandag 24 december 2018

Wie vertroetelt hier de koeien?




Onze koeien zien er uit als knuffelberen: zo’n dikke wintervacht hebben ze. Het is al advent, maar ze gaan nog dagelijks naar buiten. Nu is er echter een grens bereikt. Het ochtendmelken is gedaan en aarzeld lopen er een stuk of tien het pad af. De rest blijft in de stal en wijdt zich aan het verorberen van de kuil, die voor het voerhek is geschoven. In het weiland is vrijwel geen voedzaam gras meer te vinden en het weer nodigt ook niet uit. Dus als het begint te plenzen, maakt ook het dappere tiental rechtsomkeer.

Het weideseizoen is voorbij.

Wij krijgen geregeld te horen dat onze koeien toch maar een prachtig leven leiden. Een veel beter leven dan die arme, permanent opgestalde, beesten. Het zijn echter nooit boeren die dat beweren…

Onze koeien worden namelijk niet vertroeteld. Nu worden ze bijgevoerd, maar het grootste deel van het jaar moeten ze hun eigen kostje bij elkaar scharrelen, in weer en wind. Niks geen lekkere hapjes mais, bierbostel, of door de fabrikant perfect uitgebalanceerde brok. Gras en onkruid, daar moeten ze het mee doen. In ruil hiervoor geven ze niet veel melk. Als de koe haar eigen boer kon kiezen, zouden wij beslist niet bovenaan haar lijstje staan!

Maar gelukkig zijn koeien niet de baas. Ik vergelijk deze kwestie wel eens met opvoeding. Als je kinderen hun gang laat gaan, zitten de meeste het liefst de hele dag, met een zak chips, achter een beeldscherm. Dat laat je ook niet gebeuren.

Over jeugd gesproken: de kleine kalfjes staan al een tijdje op stal en de pinken volgen over vijf dagen, maar op dit moment lopen ze nog buiten.

“Ga jij even kijken?” vraagt mijn boer bij het avondeten, “Vanmorgen was alles in orde, maar als ze in de sloot vallen... In het koude water maken ze het niet lang.”

Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om er nog op uit te gaan in dit rotweer. En het is al donker.

De pinken lopen in een weiland zo’n zeven kilometer van onze boerderij. Beschutting is er nauwelijks. Bij slecht weer gaan ze op een kluitje staan, met de konten in de wind. Daarbij schuiven ze steeds een beetje op, tot ze bij een sloot komen en niet verder kunnen.

Regen slaat tegen de voorruit, als ik toch maar naar hun weiland rijd.

Als ik over het hek klim, is het ineens droog. Het wolkendek breekt open en toont een heldere hemel. Alleen door het contrast met de lichten van passerende auto’s, verdwijnen de velden zo nu en dan in een diep duister. Ik loop echter de sterren tegemoet en na een minuut of tien ontwaar ik bultjes in het gras.

Ik had een kleumend groepje verwacht, maar onze pinken liggen ontspannen te baden in het maanlicht. Pas wanneer ik bij ze ben, richten ze zich op. De groep is compleet en ze ogen allemaal gezond. Ik kan naar huis, maar blijf toch nog even. Omringd door die nachtelijke wereld. Genietend van de wind in mijn haar.



Groentje



maandag 3 december 2018

Makker staakt uw wild geraas...



Ik voer een telefoongesprek met mijn dochter en net voor we afsluiten, stelt ze de vraag die ik hoopte dat ze niet zou stellen:
“Is Sophietje al terug?”
“Nee, ik heb haar niet meer gezien.”
Er wonen genoeg katten op het erf, maar die zijn verwilderd. Mijn dochter wilde een poes om te aaien. En die kreeg ze: een glanzend zwart schatje. Bijkomend voordeel was, dat deze het woonhuis muisvrij hield. Nu is mijn dochter op kamers. De poes bleef hier, maar verleden week kwam ze opeens niet meer terug van haar nachtelijke tochten.
“Ik denk dat je de hoop op moet geven.”
Ik probeer warm en flink tegelijk te klinken. Als moeder wil je liefde geven én je kind wapenen tegen de tegenslagen van het leven.

Als we de verbinding verbreken, klinkt er geroffel op het plafond. De hond spitst zijn oren.
Sophietje! flitst het door me heen. Maar nee, katten maken niet zulke geluiden.
“Zijn het ratten?“ vraag ik aan mijn boer.
“Misschien is het Sinterklaas wel.”
“Hè, wat flauw!”
“Ja het zijn vast ratten, wat zouden het anders moeten zijn? Muizen dribbelen veel lichter.”
Ik vind het vervelend dat ik niet weet wat er boven mijn hoofd rondloopt. Alsof je met spoken samenleeft.
“Wrrrrrrefft, wrrr, wrrrr,” klinkt het dan.
Jouke kan zich niet meer inhouden en begint te blaffen.
“Stil!”
Maar hij houdt niet op. Er moet meer aan de hand zijn. Ik ga poolshoogte nemen in de schuur.

Daar is de hoefsmid met ons paard Pronkje bezig. Het buurmeisje slaat hem nauwlettend gade, een vinger in de neus. Ik trek mijn rubberlaarzen aan, voor ik naar ze toe loop.
“Wat doe jij?” hoor ik haar aan de smit vragen.
“Ik geef Pronkje nieuwe hoefijzers. Dat moet van je buurman.”
“O.”
“En omdat het bijna Sinterklaas is, denk ik dat ik haar deze keer maar op dakijzers zet. Dan heeft ze meer grip op de dakpannen, als ze de Sint gaat helpen.”
“O,” zegt het kind weer, denkt even na en komt dan met een bezwaar:
“Maar Sinterklaas heeft al een paard: Amerigo en die is wit.”
“Nou en? Pronkje is zwart, maar stel nu dat Amerigo ziek wordt, dan kan Pronkje toch mooi invallen? Er zijn nu ook witte zwarte Pieten.”
Het buurmeisje kijkt de smit met grote ogen aan. Ik hou mijn adem in en zie haar dan langzaam knikken. Het verhaal is geland.
“Komt Pronkje dan ook op televisie?”
“Je weet maar nooit. Daarom ga ik er nu voor zorgen dat ze er netjes bij loopt.”
“Mag ik haar borstelen?” vraagt het meisje.
“Ja hoor, “maak jij haar maar mooi,” zeg ik en loop naar hun toe.
Ik krijg een vette knipoog van de smit.
“Prachtig toch, die kinderen,” zegt hij, "Zo'n fantasie."
“Ja,” lach ik, “Redden jullie het, of kan ik helpen?”

Later, als ik weer naar de keuken loop, zie ik een zwarte schim tussen de emmers. Even geloof ik dat het Sophietje is. Maar dat zal wel verbeelding zijn.


Groentje


maandag 12 november 2018

De reuzengrutto van Burgwerd



Een enorme grutto rijst op uit de weilanden nabij Burgwerd. Hij is wel vijf meter hoog en zijn gespreide vleugels hebben een spanwijdte van zeker acht meter. Hij staat op een wagentje en omdat hij van takken is gemaakt, beweegt de constructie bij iedere hobbel waar hij overheen rijdt. Het is alsof de vogel probeert op de stijgen naar de stralend blauwe lucht boven ons.

Wat hebben we een geluk met het weer! De onverwachte zonneschijn zal veel mensen over de streep hebben getrokken, om te komen demonstreren.

We lopen een tocht van acht kilometer door de weilanden om aandacht te vragen voor meer biodiversiteit. Burgerinitiatief Koning van het Grasland heeft dit georganiseerd, omdat die diversiteit maar blijft afnemen. De uitstervende grutto is hier het symbool van. Vandaar ook de reuzengrutto.

Het gevaarte wordt voortgetrokken door ons Friese paard Pronkje. En wie zit er in een boerenkiel op de bok? Mijn boer. Die heeft deze attractie als verrassing bedacht.

“Ik ben ook hartstikke gek,” mopperde hij gisteren nog, “Weet je hoeveel tijd er in deze grap gaat zitten? En tijd is geld!”

Om zich vervolgens peinzend af te vragen: “Waarom kan ik eigenlijk niet meer zo denken? Wat voor ondernemer ben ik geworden?”

Nu spoort hij Pronkje lachend aan.

Er gaat een “Oh…!” door de menigte en de hele stoet volgt hem. Het is een prachtig gezicht. Maar het was natuurlijk nog veel mooier geweest, als de landerijen waar we doorheen lopen niet zo egaal groen waren. Als er kruiden groeiden, insecten kropen, échte vogels vlogen.

Een vriendin van me is biologe en ze wil niet meer naar discussies over biodiversiteit en weidevogels: uit zelfbescherming.

“Als die boeren weer over verdienmodellen beginnen, ga ik gillen,” zegt ze, “Ik kan het niet meer horen. Alles draait alleen maar om geld. Alsof er geen belangrijker dingen zijn.”

“Maar financieel moet het toch ook duurzaam zijn?” probeer ik daar kleintjes tegenin te brengen.

“Ja ja,” zegt ze somber.

Nu zijn we allemaal blij. Er zijn wel meer dan honderd deelnemers!

De volgende dag zien we op televisie dat de extreemrechtse Jair Bolsonaro is verkozen tot president van Brazilië. Eén van zijn voornemens is om uit het Klimaatverdrag van Parijs te stappen. Het regenwoud mogen ze meteen kappen.

Ik kan wel huilen. Miljoenen Brazilianen hossen en juichen vanwege de sterke man die het land zal redden van chaos en economische crisis. De verslaggever kijkt zorgelijk, maar in het economisch commentaar is de sfeer positief: de aandelen stijgen!

Ik scrol door de foto’s op mijn telefoon en zoek naar de grutto van takken, het groepje welwillende mensen, dat er achteraan liep en probeer de blijdschap van die dag weer op te roepen.



Groentje






donderdag 25 oktober 2018

Manusje van alles



Als er iets kapot is, vraag ik me altijd af wie ik kan bellen om het op te lossen. Boeren moeten niets hebben van deze mentaliteit: ze willen zichzelf kunnen redden, en waarschijnlijk komt het daardoor dat ze dat meestal ook kunnen.

Maar nu is het zondagmiddag en mijn boer en ik zitten samen in de keuken te genieten van een glaasje Shiraz, kaasje erbij. Straks komen de kinderen eten en daar verheugen we ons op.
“Zullen we de houtkachel aansteken?” stel ik voor, “Daar is het nu weer de tijd voor.”
Mijn boer is het ermee eens, dus we gaan in de weer met kranten en hout. Even later zitten we bij een knisperend vuurtje. De vredige sfeer wordt echter al gauw verstoord, als de leidingen onheilspellend beginnen te klotsen en te rammelen.

“O ja,’ zegt mijn boer, “In de lente heeft een monteur de overdrukbeveiliging afgesloten. Nu kan het ding zijn warmte niet kwijt. De prutser!”
“Wat nu?” vraag ik bezorgd.

Omdat we afgelegen wonen, hebben we geen gas. Een houtkachel geldt als duurzaam en je kon er subsidie voor krijgen. Daarom verwarmen we het hele huis op pellets. In de kamer en de keuken staan kleine houtkacheltjes om bij te stoken en voor de sfeer. Het is een complex systeem, waarbij alle kachels en radiatoren met elkaar in verbinding staan.

“Pang!”

Nu ben ik bang dat de hele boel explodeert.

Snel smoren we het vuur. De keuken vult zich met rookwolken en er zit niets anders op dan de ramen te openen. Tegen de tijd dat de kinderen komen, is het koud. Met hun jassen aan scharen ze zich rond de tafel.

De volgende dag wil ik de monteur bellen. Mijn boer is het er echter niet mee eens. En met de bekende woorden:
“Ik kan het zelf wel,’ verdwijnt hij onder de vloer.
“Pas je er nog wel tussen?” vraag ik als ik op mijn knieën bij het gat ga zitten en in het donker tuur.
We hebben vorig jaar schelpen onder de vloer gekregen voor de isolatie en het vocht. Ik hoor ze knerpen, terwijl mijn boer er op zijn buik overheen schuift. Dan wordt het stil en ik ga naar boven om aan een artikel te werken.
Ik heb me net geïnstalleerd als mijn mobiel gaat:

“Kun je even naar de grote kachel lopen en water bijvullen. Ik bel wel als ik het lek gevonden heb.”

Ik ga naar de schuur en hoop dat ik de juiste slang bevestig en de juiste knoppen omzet. Dan draai ik de waterkraan open. Even hoor ik suizen. Gelijk gaat de telefoon:

“Doe maar weer dicht.”
“Is het gelukt?” vraag ik, maar de verbinding is verbroken. Lang blijft het stil. Ik staar naar een leeg zwaluwnest.

Telefoon:

”Doe maar weer open.”
“En?”

Geen reactie.

Maar als ik in de keuken kom, steekt mijn boer net zijn hoofd uit het kruipgat. Met het haar vol spinnenwebben verkondigt hij stralend, dat het probleem is opgelost:

“Zie je wel: we hebben niemand nodig!”

De winter kan beginnen.


Groentje



woensdag 3 oktober 2018

Hele vieze bio yoghurt



Als biologisch bedrijf wil je laten zien dat het anders kan. Organisaties die dat ook willen, haken daar op in. Nu worden we gevraagd vlees te leveren voor een congres over het behoud van weidevogels.

Er moet dus geslacht worden en daarvoor hebben we een mooie pink in gedachten. Het uitbenen wordt door de plaatselijke slager gedaan, terwijl het eigenlijke slachten in Groningen plaats zal vinden.

Ik overleg met deze slager over onze pink en probeer ondertussen ook nog een stier aan hem te verkopen. Maar daar heeft hij geen belang bij:
“Stieren zijn te taai. Die kan ik niet kwijt in het hogere marktsegment dat ik wil bedienen.”

Even later belt de veerijder over hoe laat hij komt. Hij heeft ook een vraag:
“Je hebt een koe voor de slacht?”
“Nee een pink.”
“Goed dat ik het weet, want die zijn lichter.”
“Ja. En lekkerder. Als wij een dier slachten, voor onszelf of onze klanten, moet het goed zijn,” ratel ik, nog helemaal in mijn verkoopstand, “Je wilt toch geen worstkoe in de vriezer!”
“Ha ha, nee, maar sommige boeren vreten alles. Slachten hun taaiste krengen en kauwen daar het hele jaar op. En de barbeques waar je soms voor wordt uitgenodigd… Daar gaat niet voor niets zoveel saus overheen!”

Blijkbaar heb ik een teer punt aangeroerd, want onze veerijder gaat helemaal los. Ik houd de telefoon wat verder van mijn oor, maar laat hem zijn gal spuwen.
Ik vind smaak namelijk ook belangrijk. En volgens mij zijn smaak en kwaliteit sleutels tot duurzaamheid. Als je bewust met eten bezig bent en geniet van kwaliteit, dan gaat je smaak vanzelf richting duurzaam geteelde producten. De meeste Nederlanders vinden hun eten echter al gauw prima en daarom is het altijd leuk medestanders te vinden. Vooral uit onverwachte hoek.

Trots begin ik over de smaak van onze zuivel en ook daar kan de veerijder over meepraten.
“Gisteren at ik yoghurt. Ik eet iedere dag yoghurt en de vrouw een bakje gele vla. Maar het smaakte zo eigenaardig. Ik kon het bijna niet wegkrijgen.”
“Was het bedorven?”
“Nee, het was biologisch.”

Ik slik even en moet dan lachen.

“Dat verklaart alles,” reageer ik. Mijn gesprekspartner hoort de ironie van mijn opmerking echter niet.
“Ja, het is anders en daar houd ik niet van.”
“Nu beledig je me een beetje, want wij zijn biologische melkveehouders.”
“O.”
Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
Ik besluit van de gelegenheid gebruik te maken en vraag:
“Als je dinsdag toch onderweg bent… Zou je dan op de heenweg naar ons natuurgebied vijf weidekoeien kunnen afleveren?”
Hier kan de beste man nu geen nee op zeggen en ietwat beduusd, stemt hij in. 
We verbreken de verbinding.

Vaak is het jammer dat we niet allemaal op één lijn zitten, bedenk ik me, maar het houdt je wel scherp.


Groentje

maandag 17 september 2018

Prinses





Jij kunt de sjees er wel naar toe naar rijden, dan breng ik Pronkje.’

‘Dat mag ik niet,’ reageer ik verontrust.

Op de boerderij is met aanhangers rondrijden dagelijkse kost: er moet altijd van alles getransporteerd worden, maar ik ben daar niet zo handig in. Bovendien heb ik er niet het juiste rijbewijs voor.

We doen mee aan het traditionele ringrijden. Dat betekent dat mijn boer en ik, met een antieke sjees (rijtuigje), een Fries paard (Pronkje in dit geval) en uitgedost in klederdracht, te Bolsward moeten verschijnen. Daar gaan we, met een stuk of vijftien vergelijkbare combinaties, strijden om wie er het mooist uitziet én wie de meeste ringen kan steken.

De man ment het paard. Mijn rol als vrouw behelst: naast hem zitten en met een houtje in de vorm van een revolver, ringen uit palen steken. Die palen staan langs de route opgesteld.

Voor dit evenement zijn veel spullen nodig.

‘De kar met de sjees er op is licht. Dat mag. En je kunt het best. Neem de bocht ruim en zorg dat je niet achteruit hoeft te rijden.’

‘Okay dan,’ zucht ik en ga me verkleden.

In mijn boerinnenjurk, in de stijl van 1880, zoef ik later over de snelweg. Het is inderdaad een makkie. Als ik het terrein opdraai, staat er al een tiental paardentrailers en sjezen. Toch is er nog ruimte genoeg om te parkeren. Ik voel me best stoer, maar als ik uit onze landrover spring, blijft mijn onderrok haken en val ik bijna voorover.

‘Oeps,’ roep ik lachend tegen een passerende vrouw.

‘Dag,’ reageert die stoïcijns, terwijl ze een schitterende merrie richting trailer begeleidt.

Zij is in spijkerbroek en t-shirt, maar heeft de traditionele hoofdtooi al op: een muts, met daarover nog een gehaakt mutsje en daarover een gouden oorijzer (een soort helm) en daar weer over een kanten floddermuts. Dit even kostbare als oncomfortabele geheel, is aan weerszijden van het hoofd, met gouden spelden vastgezet. 
Mij doet het vooral aan de kop van een gigantische bromvlieg denken.

Ik kijk om me heen om iemand te vinden, die me zou kunnen helpen met mijn hoofdversiering. Die heb ik nog niet op, omdat het zo lastig is om zelf te doen. Gelukkig vind ik een groepje vrouwen, die elkaar helpen met aankleden en mij ook ter wille zijn. Ik ga helemaal op in de gezellige, opgetogen sfeer: straks zetten we met zijn allen een prachtig cultureel spektakel neer!

Plotseling ontwaar ik mijn boer in de drukte. Toch gek, hoe ik hem meteen herken uit alle andere identiek geklede heren: blauwe kniekousen, kniebroek, pandjesjas, hoge hoed. Hij lacht zijn brede lach naar me.

En niet veel later is alle stress vergeten. Hoog, in het rode fluweel van onze sjees, ratelen we, alle rijtuigen achter elkaar aan, naar het centrum. Daar mogen we in draf. 
Pronkje vliegt over de klinkers en ik wuif naar het publiek. Wie het ringsteken wint, doet er niet toe. Niets doet er meer toe. We suizen door de lucht, omringd door gejuich. 
Mijn boer en ik, prins en prinses.


Groentje