zondag 5 juli 2015

De rode Dwerg


Wat doet dat hier? vraag ik me af, als ik het erf oprijd.

Er staat een roodharige mini pony in de berm. Hij ziet mij waarschijnlijk niet, want er hangt touwachtige haar over zijn ogen. Dan wordt mijn blik naar zijn geslacht getrokken. Voor zo’n klein mannetje is hij namelijk opvallend goed bedeeld. Aan de andere kant van de weg staan onze Friese merries: Foekje en Wypkje. Zij lijken ook door hem gefascineerd.

En dat is de bedoeling, hoor ik later. Het is namelijk een zogenaamde schouwhengst. We hebben hem even te leen, omdat door zijn mannelijke aanwezigheid, de merries het duidelijker tonen, als ze hengstig zijn. Hengstig zijn, betekent dat ze willen paren. (Ze gaan dan bijvoorbeeld veel plassen.) Het is handig dat ze dat laten zien, want dan kunnen wij actie ondernemen: we willen graag veulentjes.

Het voordeel van de korte pootjes van deze hengst is, dat hij niet werkelijk iets klaar kan maken. Wij willen natuurlijk stamboeknageslacht, van onze zwarte schoonheden.

De volgende avond komen we thuis van een familie-uitje. Als we het erf opdraaien, slaat de schrik ons om het hart, want wat zien we in het licht van de koplampen? Wypkje, met achter haar die afzichtelijke pony. Hij probeert haar te bestijgen! Slap van het lachen, springen we allemaal uit de auto en trekken we de beesten uit elkaar. De rode dwerg komt weer stevig aan het spit en Wypkje achter schrikdraad.

Wypkje is hengstig. Dat is dus duidelijk. Als de veearts komt, constateert hij een ei van zeven centimeter en dat betekent dat het rijp is. Wat groot! denk ik. Nu kan de merrie geïnsemineerd worden. Hiervoor komt een oude man in een zwart busje. En hij komt een paar keer, want het is niet meteen raak.

‘Nou, nog maar eens proberen,’ zegt de man, als hij zijn lange, plastic handschoen aantrekt. Deze komt wel tot de oksel. Hij neemt nog een laatste trek van zijn shagje, gooit hem op de stalvloer en trapt hem uit met zijn klomp.

‘Ik hoop dat het deze keer lukt,’ zeg ik.
‘Dat weet je maar nooit,’ is zijn terechte weerwoord. Hij spuit wat glijmiddel over de handschoen, pakt een rietje met sperma (van een zorgvuldig gekozen Friese dekhengst) en laat vervolgens neuriënd zijn arm in de vagina van de merrie glijden. Hij kijkt even geconcentreerd naar voren en trekt zijn arm weer terug. 
‘Zo, nu maar afwachten,' bromt hij. De handschoen wordt afgestroopt, de spullen gepakt en dat is dat.
De man verdwijnt weer in zijn busje.

Ze is een paar keer tevergeefs geïnsemineerd, maar nu lijkt het raak: ‘Het ei is gesprongen,’ zegt de veearts de volgende dag, terwijl hij het scanapparaat, waarmee hij dat vaststelt, uit Wypkje trekt. Nog zeventien dagen wachten en dan weten we, of we over elf maanden een veulentje krijgen. De kans is ongeveer vijftig procent.

Ik hoop het zo! Want wat is er ontroerender dan zo’n klein, zwart wezentje, dat bijna alleen maar uit beentjes bestaat; zo fragiel en sprookjesachtig.

En dan te bedenken wat er allemaal aan voorafgegaan is: dat is beslist geen sprookje.

Groentje


Geen opmerkingen:

Een reactie posten