maandag 24 december 2018

Wie vertroetelt hier de koeien?




Onze koeien zien er uit als knuffelberen: zo’n dikke wintervacht hebben ze. Het is al advent, maar ze gaan nog dagelijks naar buiten. Nu is er echter een grens bereikt. Het ochtendmelken is gedaan en aarzeld lopen er een stuk of tien het pad af. De rest blijft in de stal en wijdt zich aan het verorberen van de kuil, die voor het voerhek is geschoven. In het weiland is vrijwel geen voedzaam gras meer te vinden en het weer nodigt ook niet uit. Dus als het begint te plenzen, maakt ook het dappere tiental rechtsomkeer.

Het weideseizoen is voorbij.

Wij krijgen geregeld te horen dat onze koeien toch maar een prachtig leven leiden. Een veel beter leven dan die arme, permanent opgestalde, beesten. Het zijn echter nooit boeren die dat beweren…

Onze koeien worden namelijk niet vertroeteld. Nu worden ze bijgevoerd, maar het grootste deel van het jaar moeten ze hun eigen kostje bij elkaar scharrelen, in weer en wind. Niks geen lekkere hapjes mais, bierbostel, of door de fabrikant perfect uitgebalanceerde brok. Gras en onkruid, daar moeten ze het mee doen. In ruil hiervoor geven ze niet veel melk. Als de koe haar eigen boer kon kiezen, zouden wij beslist niet bovenaan haar lijstje staan!

Maar gelukkig zijn koeien niet de baas. Ik vergelijk deze kwestie wel eens met opvoeding. Als je kinderen hun gang laat gaan, zitten de meeste het liefst de hele dag, met een zak chips, achter een beeldscherm. Dat laat je ook niet gebeuren.

Over jeugd gesproken: de kleine kalfjes staan al een tijdje op stal en de pinken volgen over vijf dagen, maar op dit moment lopen ze nog buiten.

“Ga jij even kijken?” vraagt mijn boer bij het avondeten, “Vanmorgen was alles in orde, maar als ze in de sloot vallen... In het koude water maken ze het niet lang.”

Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om er nog op uit te gaan in dit rotweer. En het is al donker.

De pinken lopen in een weiland zo’n zeven kilometer van onze boerderij. Beschutting is er nauwelijks. Bij slecht weer gaan ze op een kluitje staan, met de konten in de wind. Daarbij schuiven ze steeds een beetje op, tot ze bij een sloot komen en niet verder kunnen.

Regen slaat tegen de voorruit, als ik toch maar naar hun weiland rijd.

Als ik over het hek klim, is het ineens droog. Het wolkendek breekt open en toont een heldere hemel. Alleen door het contrast met de lichten van passerende auto’s, verdwijnen de velden zo nu en dan in een diep duister. Ik loop echter de sterren tegemoet en na een minuut of tien ontwaar ik bultjes in het gras.

Ik had een kleumend groepje verwacht, maar onze pinken liggen ontspannen te baden in het maanlicht. Pas wanneer ik bij ze ben, richten ze zich op. De groep is compleet en ze ogen allemaal gezond. Ik kan naar huis, maar blijf toch nog even. Omringd door die nachtelijke wereld. Genietend van de wind in mijn haar.



Groentje



maandag 3 december 2018

Makker staakt uw wild geraas...



Ik voer een telefoongesprek met mijn dochter en net voor we afsluiten, stelt ze de vraag die ik hoopte dat ze niet zou stellen:
“Is Sophietje al terug?”
“Nee, ik heb haar niet meer gezien.”
Er wonen genoeg katten op het erf, maar die zijn verwilderd. Mijn dochter wilde een poes om te aaien. En die kreeg ze: een glanzend zwart schatje. Bijkomend voordeel was, dat deze het woonhuis muisvrij hield. Nu is mijn dochter op kamers. De poes bleef hier, maar verleden week kwam ze opeens niet meer terug van haar nachtelijke tochten.
“Ik denk dat je de hoop op moet geven.”
Ik probeer warm en flink tegelijk te klinken. Als moeder wil je liefde geven én je kind wapenen tegen de tegenslagen van het leven.

Als we de verbinding verbreken, klinkt er geroffel op het plafond. De hond spitst zijn oren.
Sophietje! flitst het door me heen. Maar nee, katten maken niet zulke geluiden.
“Zijn het ratten?“ vraag ik aan mijn boer.
“Misschien is het Sinterklaas wel.”
“Hè, wat flauw!”
“Ja het zijn vast ratten, wat zouden het anders moeten zijn? Muizen dribbelen veel lichter.”
Ik vind het vervelend dat ik niet weet wat er boven mijn hoofd rondloopt. Alsof je met spoken samenleeft.
“Wrrrrrrefft, wrrr, wrrrr,” klinkt het dan.
Jouke kan zich niet meer inhouden en begint te blaffen.
“Stil!”
Maar hij houdt niet op. Er moet meer aan de hand zijn. Ik ga poolshoogte nemen in de schuur.

Daar is de hoefsmid met ons paard Pronkje bezig. Het buurmeisje slaat hem nauwlettend gade, een vinger in de neus. Ik trek mijn rubberlaarzen aan, voor ik naar ze toe loop.
“Wat doe jij?” hoor ik haar aan de smit vragen.
“Ik geef Pronkje nieuwe hoefijzers. Dat moet van je buurman.”
“O.”
“En omdat het bijna Sinterklaas is, denk ik dat ik haar deze keer maar op dakijzers zet. Dan heeft ze meer grip op de dakpannen, als ze de Sint gaat helpen.”
“O,” zegt het kind weer, denkt even na en komt dan met een bezwaar:
“Maar Sinterklaas heeft al een paard: Amerigo en die is wit.”
“Nou en? Pronkje is zwart, maar stel nu dat Amerigo ziek wordt, dan kan Pronkje toch mooi invallen? Er zijn nu ook witte zwarte Pieten.”
Het buurmeisje kijkt de smit met grote ogen aan. Ik hou mijn adem in en zie haar dan langzaam knikken. Het verhaal is geland.
“Komt Pronkje dan ook op televisie?”
“Je weet maar nooit. Daarom ga ik er nu voor zorgen dat ze er netjes bij loopt.”
“Mag ik haar borstelen?” vraagt het meisje.
“Ja hoor, “maak jij haar maar mooi,” zeg ik en loop naar hun toe.
Ik krijg een vette knipoog van de smit.
“Prachtig toch, die kinderen,” zegt hij, "Zo'n fantasie."
“Ja,” lach ik, “Redden jullie het, of kan ik helpen?”

Later, als ik weer naar de keuken loop, zie ik een zwarte schim tussen de emmers. Even geloof ik dat het Sophietje is. Maar dat zal wel verbeelding zijn.


Groentje


maandag 12 november 2018

De reuzengrutto van Burgwerd



Een enorme grutto rijst op uit de weilanden nabij Burgwerd. Hij is wel vijf meter hoog en zijn gespreide vleugels hebben een spanwijdte van zeker acht meter. Hij staat op een wagentje en omdat hij van takken is gemaakt, beweegt de constructie bij iedere hobbel waar hij overheen rijdt. Het is alsof de vogel probeert op de stijgen naar de stralend blauwe lucht boven ons.

Wat hebben we een geluk met het weer! De onverwachte zonneschijn zal veel mensen over de streep hebben getrokken, om te komen demonstreren.

We lopen een tocht van acht kilometer door de weilanden om aandacht te vragen voor meer biodiversiteit. Burgerinitiatief Koning van het Grasland heeft dit georganiseerd, omdat die diversiteit maar blijft afnemen. De uitstervende grutto is hier het symbool van. Vandaar ook de reuzengrutto.

Het gevaarte wordt voortgetrokken door ons Friese paard Pronkje. En wie zit er in een boerenkiel op de bok? Mijn boer. Die heeft deze attractie als verrassing bedacht.

“Ik ben ook hartstikke gek,” mopperde hij gisteren nog, “Weet je hoeveel tijd er in deze grap gaat zitten? En tijd is geld!”

Om zich vervolgens peinzend af te vragen: “Waarom kan ik eigenlijk niet meer zo denken? Wat voor ondernemer ben ik geworden?”

Nu spoort hij Pronkje lachend aan.

Er gaat een “Oh…!” door de menigte en de hele stoet volgt hem. Het is een prachtig gezicht. Maar het was natuurlijk nog veel mooier geweest, als de landerijen waar we doorheen lopen niet zo egaal groen waren. Als er kruiden groeiden, insecten kropen, échte vogels vlogen.

Een vriendin van me is biologe en ze wil niet meer naar discussies over biodiversiteit en weidevogels: uit zelfbescherming.

“Als die boeren weer over verdienmodellen beginnen, ga ik gillen,” zegt ze, “Ik kan het niet meer horen. Alles draait alleen maar om geld. Alsof er geen belangrijker dingen zijn.”

“Maar financieel moet het toch ook duurzaam zijn?” probeer ik daar kleintjes tegenin te brengen.

“Ja ja,” zegt ze somber.

Nu zijn we allemaal blij. Er zijn wel meer dan honderd deelnemers!

De volgende dag zien we op televisie dat de extreemrechtse Jair Bolsonaro is verkozen tot president van Brazilië. Eén van zijn voornemens is om uit het Klimaatverdrag van Parijs te stappen. Het regenwoud mogen ze meteen kappen.

Ik kan wel huilen. Miljoenen Brazilianen hossen en juichen vanwege de sterke man die het land zal redden van chaos en economische crisis. De verslaggever kijkt zorgelijk, maar in het economisch commentaar is de sfeer positief: de aandelen stijgen!

Ik scrol door de foto’s op mijn telefoon en zoek naar de grutto van takken, het groepje welwillende mensen, dat er achteraan liep en probeer de blijdschap van die dag weer op te roepen.



Groentje






donderdag 25 oktober 2018

Manusje van alles



Als er iets kapot is, vraag ik me altijd af wie ik kan bellen om het op te lossen. Boeren moeten niets hebben van deze mentaliteit: ze willen zichzelf kunnen redden, en waarschijnlijk komt het daardoor dat ze dat meestal ook kunnen.

Maar nu is het zondagmiddag en mijn boer en ik zitten samen in de keuken te genieten van een glaasje Shiraz, kaasje erbij. Straks komen de kinderen eten en daar verheugen we ons op.
“Zullen we de houtkachel aansteken?” stel ik voor, “Daar is het nu weer de tijd voor.”
Mijn boer is het ermee eens, dus we gaan in de weer met kranten en hout. Even later zitten we bij een knisperend vuurtje. De vredige sfeer wordt echter al gauw verstoord, als de leidingen onheilspellend beginnen te klotsen en te rammelen.

“O ja,’ zegt mijn boer, “In de lente heeft een monteur de overdrukbeveiliging afgesloten. Nu kan het ding zijn warmte niet kwijt. De prutser!”
“Wat nu?” vraag ik bezorgd.

Omdat we afgelegen wonen, hebben we geen gas. Een houtkachel geldt als duurzaam en je kon er subsidie voor krijgen. Daarom verwarmen we het hele huis op pellets. In de kamer en de keuken staan kleine houtkacheltjes om bij te stoken en voor de sfeer. Het is een complex systeem, waarbij alle kachels en radiatoren met elkaar in verbinding staan.

“Pang!”

Nu ben ik bang dat de hele boel explodeert.

Snel smoren we het vuur. De keuken vult zich met rookwolken en er zit niets anders op dan de ramen te openen. Tegen de tijd dat de kinderen komen, is het koud. Met hun jassen aan scharen ze zich rond de tafel.

De volgende dag wil ik de monteur bellen. Mijn boer is het er echter niet mee eens. En met de bekende woorden:
“Ik kan het zelf wel,’ verdwijnt hij onder de vloer.
“Pas je er nog wel tussen?” vraag ik als ik op mijn knieën bij het gat ga zitten en in het donker tuur.
We hebben vorig jaar schelpen onder de vloer gekregen voor de isolatie en het vocht. Ik hoor ze knerpen, terwijl mijn boer er op zijn buik overheen schuift. Dan wordt het stil en ik ga naar boven om aan een artikel te werken.
Ik heb me net geïnstalleerd als mijn mobiel gaat:

“Kun je even naar de grote kachel lopen en water bijvullen. Ik bel wel als ik het lek gevonden heb.”

Ik ga naar de schuur en hoop dat ik de juiste slang bevestig en de juiste knoppen omzet. Dan draai ik de waterkraan open. Even hoor ik suizen. Gelijk gaat de telefoon:

“Doe maar weer dicht.”
“Is het gelukt?” vraag ik, maar de verbinding is verbroken. Lang blijft het stil. Ik staar naar een leeg zwaluwnest.

Telefoon:

”Doe maar weer open.”
“En?”

Geen reactie.

Maar als ik in de keuken kom, steekt mijn boer net zijn hoofd uit het kruipgat. Met het haar vol spinnenwebben verkondigt hij stralend, dat het probleem is opgelost:

“Zie je wel: we hebben niemand nodig!”

De winter kan beginnen.


Groentje



woensdag 3 oktober 2018

Hele vieze bio yoghurt



Als biologisch bedrijf wil je laten zien dat het anders kan. Organisaties die dat ook willen, haken daar op in. Nu worden we gevraagd vlees te leveren voor een congres over het behoud van weidevogels.

Er moet dus geslacht worden en daarvoor hebben we een mooie pink in gedachten. Het uitbenen wordt door de plaatselijke slager gedaan, terwijl het eigenlijke slachten in Groningen plaats zal vinden.

Ik overleg met deze slager over onze pink en probeer ondertussen ook nog een stier aan hem te verkopen. Maar daar heeft hij geen belang bij:
“Stieren zijn te taai. Die kan ik niet kwijt in het hogere marktsegment dat ik wil bedienen.”

Even later belt de veerijder over hoe laat hij komt. Hij heeft ook een vraag:
“Je hebt een koe voor de slacht?”
“Nee een pink.”
“Goed dat ik het weet, want die zijn lichter.”
“Ja. En lekkerder. Als wij een dier slachten, voor onszelf of onze klanten, moet het goed zijn,” ratel ik, nog helemaal in mijn verkoopstand, “Je wilt toch geen worstkoe in de vriezer!”
“Ha ha, nee, maar sommige boeren vreten alles. Slachten hun taaiste krengen en kauwen daar het hele jaar op. En de barbeques waar je soms voor wordt uitgenodigd… Daar gaat niet voor niets zoveel saus overheen!”

Blijkbaar heb ik een teer punt aangeroerd, want onze veerijder gaat helemaal los. Ik houd de telefoon wat verder van mijn oor, maar laat hem zijn gal spuwen.
Ik vind smaak namelijk ook belangrijk. En volgens mij zijn smaak en kwaliteit sleutels tot duurzaamheid. Als je bewust met eten bezig bent en geniet van kwaliteit, dan gaat je smaak vanzelf richting duurzaam geteelde producten. De meeste Nederlanders vinden hun eten echter al gauw prima en daarom is het altijd leuk medestanders te vinden. Vooral uit onverwachte hoek.

Trots begin ik over de smaak van onze zuivel en ook daar kan de veerijder over meepraten.
“Gisteren at ik yoghurt. Ik eet iedere dag yoghurt en de vrouw een bakje gele vla. Maar het smaakte zo eigenaardig. Ik kon het bijna niet wegkrijgen.”
“Was het bedorven?”
“Nee, het was biologisch.”

Ik slik even en moet dan lachen.

“Dat verklaart alles,” reageer ik. Mijn gesprekspartner hoort de ironie van mijn opmerking echter niet.
“Ja, het is anders en daar houd ik niet van.”
“Nu beledig je me een beetje, want wij zijn biologische melkveehouders.”
“O.”
Het is even stil aan de andere kant van de lijn.
Ik besluit van de gelegenheid gebruik te maken en vraag:
“Als je dinsdag toch onderweg bent… Zou je dan op de heenweg naar ons natuurgebied vijf weidekoeien kunnen afleveren?”
Hier kan de beste man nu geen nee op zeggen en ietwat beduusd, stemt hij in. 
We verbreken de verbinding.

Vaak is het jammer dat we niet allemaal op één lijn zitten, bedenk ik me, maar het houdt je wel scherp.


Groentje

maandag 17 september 2018

Prinses





Jij kunt de sjees er wel naar toe naar rijden, dan breng ik Pronkje.’

‘Dat mag ik niet,’ reageer ik verontrust.

Op de boerderij is met aanhangers rondrijden dagelijkse kost: er moet altijd van alles getransporteerd worden, maar ik ben daar niet zo handig in. Bovendien heb ik er niet het juiste rijbewijs voor.

We doen mee aan het traditionele ringrijden. Dat betekent dat mijn boer en ik, met een antieke sjees (rijtuigje), een Fries paard (Pronkje in dit geval) en uitgedost in klederdracht, te Bolsward moeten verschijnen. Daar gaan we, met een stuk of vijftien vergelijkbare combinaties, strijden om wie er het mooist uitziet én wie de meeste ringen kan steken.

De man ment het paard. Mijn rol als vrouw behelst: naast hem zitten en met een houtje in de vorm van een revolver, ringen uit palen steken. Die palen staan langs de route opgesteld.

Voor dit evenement zijn veel spullen nodig.

‘De kar met de sjees er op is licht. Dat mag. En je kunt het best. Neem de bocht ruim en zorg dat je niet achteruit hoeft te rijden.’

‘Okay dan,’ zucht ik en ga me verkleden.

In mijn boerinnenjurk, in de stijl van 1880, zoef ik later over de snelweg. Het is inderdaad een makkie. Als ik het terrein opdraai, staat er al een tiental paardentrailers en sjezen. Toch is er nog ruimte genoeg om te parkeren. Ik voel me best stoer, maar als ik uit onze landrover spring, blijft mijn onderrok haken en val ik bijna voorover.

‘Oeps,’ roep ik lachend tegen een passerende vrouw.

‘Dag,’ reageert die stoïcijns, terwijl ze een schitterende merrie richting trailer begeleidt.

Zij is in spijkerbroek en t-shirt, maar heeft de traditionele hoofdtooi al op: een muts, met daarover nog een gehaakt mutsje en daarover een gouden oorijzer (een soort helm) en daar weer over een kanten floddermuts. Dit even kostbare als oncomfortabele geheel, is aan weerszijden van het hoofd, met gouden spelden vastgezet. 
Mij doet het vooral aan de kop van een gigantische bromvlieg denken.

Ik kijk om me heen om iemand te vinden, die me zou kunnen helpen met mijn hoofdversiering. Die heb ik nog niet op, omdat het zo lastig is om zelf te doen. Gelukkig vind ik een groepje vrouwen, die elkaar helpen met aankleden en mij ook ter wille zijn. Ik ga helemaal op in de gezellige, opgetogen sfeer: straks zetten we met zijn allen een prachtig cultureel spektakel neer!

Plotseling ontwaar ik mijn boer in de drukte. Toch gek, hoe ik hem meteen herken uit alle andere identiek geklede heren: blauwe kniekousen, kniebroek, pandjesjas, hoge hoed. Hij lacht zijn brede lach naar me.

En niet veel later is alle stress vergeten. Hoog, in het rode fluweel van onze sjees, ratelen we, alle rijtuigen achter elkaar aan, naar het centrum. Daar mogen we in draf. 
Pronkje vliegt over de klinkers en ik wuif naar het publiek. Wie het ringsteken wint, doet er niet toe. Niets doet er meer toe. We suizen door de lucht, omringd door gejuich. 
Mijn boer en ik, prins en prinses.


Groentje


maandag 20 augustus 2018

Varkentjes wassen





“Wat is uw relatienummer?” vraagt de klantenservicemedewerker van de RVO, als ik mijn biggen wil aanmelden. Ik blader in de stapel papieren die nu al zijn binnengekomen, omdat ik straks maar liefst twee stuks vee zal bezitten. Wat een administratie! 

Toch lees ik het nummer met gepaste trots voor: nu ben ik een echte boerin. Ik woon natuurlijk op een boerderij en ben overal bij betrokken, maar ik maak geen deel uit van de VOF. Mijn eigen levende have bestaat slechts uit een hond, een kat en twintig aquariumvissen. 

Maar binnenkort komen daar dus varkens bij. Ik heb al namen bedacht: Wopke en Wytske en ik ben van plan de biggen van deze biggen te verkopen. Ondertussen mogen ze een mooi leven leiden op het eiland achterin de tuin. Ik zal nog wel wat moeten leren over varkens verzorging, want ik heb alleen ervaring met spekjes, maar hoe moeilijk kan het zijn? 


De beesten die uiteindelijk arriveren zijn echter niet zo schattig als ik had verwacht. Ik denk dat ze wel twintig kilo per stuk wegen én ze hebben al eigen ideeën: niet opgetild worden bijvoorbeeld. 

Mijn boer draagt ze één voor één over het bruggetje. Ze spartelen heftig tegen en ik begrijp waar de uitdrukking: gillen als een speenvarken vandaan komt. Allemachtig. Ik loop er met de vingers in mijn oren achteraan. Blij dat hij dit varkentje voor me wast. Eenmaal op het eiland verdwijnen ze in het struikgewas. 
Wat nu? 
Ik roep hun naam. Tevergeefs. Nou ja, als ze honger krijgen, komen ze vast wel weer opdagen.. 

En zo gaat het ook. Ze wennen snel en komen inmiddels aanrennen, zodra ze me horen. Steken hun kop in de emmer en protesteren, als de inhoud hen niet naar de zin is. En dat brengt me op het volgende probleem: de noodzaak van een gedegen biggen opvoeding, De beesten groeien als kool en wat als ze enthousiast tegen me opspringen, wanneer ze meer dan honderd kilo wegen? 

Daarom doe ik nu maar, alsof het honden zijn. Ik corrigeer ze luidkeels, geef ze zo nu en dan een tik op hun snuit en aai ze over de bol, bij goed gedrag. Dat helpt. Het zijn al best wel keurige biggen. En het is een prachtig gezicht ze te zien rondscharrelen. Als ik op het terras zit, hoor ik ze gezellig met elkaar knorren. 

De hond wordt echter steeds jaloerser. Op een dag besluit hij naar het eiland te zwemmen. Met zijn kop en staart net boven het eendekroos, peddelt hij langs de stroomdraad, die zijn roze concurrenten op hun eiland moet houden. Want die pootjebaden al, dus wie weet wagen ze ook nog eens de oversteek. Ik laat hem begaan en zoals verwacht, houdt hij het na een minuut of vijf voor gezien. 

“Kom Jouke,” roep ik en geef hem een hondensnoepje. Dan dirigeer ik hem naar zijn mand. Ieder zijn plaats. Het moet hier geen beestenboel worden.


Groentje

maandag 30 juli 2018

Helden



Wormen sluimeren in de aarde, staan al weken op non-actief, terwijl boven hen het gras verschrompelt. Wij kruipen bij elkaar in het schaduwrondje van de parasol. Nippend van koffie, die maar niet af wil koelen.

Dan gaat de telefoon. Het is een onbekende mevrouw:
“Ik rijd net voorbij met de trein en zie een koe in de sloot. Gelukkig kon ik uw adres via google achterhalen en u zodoende hiervan in kennis stellen.”
“O. Nou. Hartelijk dank mevrouw!”
“Graag gedaan hoor! Ik vond dat ik iets moest doen.”
Deze dame kan tevreden zijn: zij heeft haar goede daad verricht.

We hebben een paar nieuwe koeien die niet gewend zijn uit de sloot te drinken -dat is tegenwoordig namelijk niet meer vanzelfsprekend- en die kukelen er geregeld in. Niet erg, maar we moeten ze er wel steeds uitvissen. En bezorgde voorbijgangers geruststellen: “Koeien kunnen zwemmen. Het water is warm. Nee meneer, er overkomt hen niks. We gaan er zo naar toe.”

Een medewerker had een akkefietje met de sjorband die hij bij het ‘vissen’ gebruikt:
“Ik was mijn vingers bijna kwijt!”
Zo komt ons gesprek op verwondingen.
“Heb je mijn voet wel eens gezien? Daar heb ik eens een paal doorgekregen. Ik ben er gewoon op naar huis gelopen.”
“Mijn middenhandsbeentje is vorige week gebroken. Gips is geen optie, want dan kan ik niets meer.
“Mijn ringvinger...”
Enzovoort.

Als ik de kring rond kijk, verwonder ik me erover dat iedereen nog over een complete set ledematen beschikt. Al doet niet alles het meer optimaal.  Kleinzerig zijn ze niet, die boeren. Daarbij passen ze niet goed op zichzelf, want ze moeten immers ​door.

​De telefoon gaat.
In het dorp verderop is een koe ontsnapt. Of we kunnen helpen. Het gaat om een koe die in een toneelstuk over een melkveehouder meespeelt. Deze denkbeeldige boer is met zijn bedrijf gestopt en voert nu gesprekken met zijn laatste dier. We krijgen allemaal een vrijkaartje, als we ​nu ​komen.

Misschien komt het van het stoere verhalen vertellen, maar wij springen meteen in de auto. Helaas kunnen we geen heldendaden verrichten. De auteur staat ons triomfantelijk op te wachten. Verbaasd kijken we van hem naar de koe. Maar dan verschijnt er nog iemand, een wat ruiger type.
“Het is ons al gelukt,” zegt de acteur, terwijl hij naar zijn kompaan knikt, “Maar heel aardig dat jullie er zijn.”
Tsja. Nou ja, we hoeven tenminste niet in de zon rond te rennen...

Het lijkt hier nog droger dan bij ons. Met de punt van mijn laars volg ik de barsten in de grond. De skyline van Leeuwarden trilt in de hete lucht.
“Regent het bij jullie al?” vraagt de ruige, terwijl hij een kluitje keiharde klei wegschopt.
"Pijpestelen."

Dan gaat de telefoon: koe in de sloot.
“We komen eraan!”
En zo racen we weer naar huis. Met de radio op tien en wapperende haren van de airco.


Groentje

maandag 9 juli 2018

Onder een plastic zeiltje



Er ligt een koe aan de weg. Het landbouwplastic waarmee we overleden beesten bedekken, bolt flink op. Gelukkig is het niet warm, anders zou je haar ook nog ruiken.

“Kan dat niet anders?” heb ik mijn boer herhaaldelijk gevraagd.

“We kunnen karkassen ook in een bak op het erf opbergen, totdat de ophaaldienst Rendac komt, maar dat kost geld. En wie weet wat voor ziektekiemen met die Rendac wagens meekomen. Die wil ik niet op het erf.”

Ik ben inmiddels aan de aanblik gewend, maar hoe voelt de argeloze bezoeker zich, als het plastic is opgewaaid, of als er per abuis een paar poten onderuit steken?

De meeste mensen hebben niet zo vaak met de dood te maken, als een doorsnee boer.

Maar nu kan ik wel stoer doen: de ene dood is de andere niet. Als Jouke, de hond dood gaat, vind ik dat heus erg. Veel erger dan bijvoorbeeld de dood van een kalf.

Als ik de keuken inloop, zit daar mijn boer. Hij ziet er aangedaan uit:

“Foekje is overleden.”

Foekje was onze merrie en ze was drachtig.

Was.

“En het veulen?”

“Een hengst. Hij is geboren en gezond. Gelukkig heeft hij biest gehad, maar hij moet snel weer hebben.”

Ik loop naar het raam en zie kleine Germ in de wei staan. Een fragiel zwart figuurtje op veel te grote benen. Een raar gezicht. Normaal zijn veulen en merrie onafscheidelijk. Dan ontwaar ik, achter in de wei een zwarte vlek in het gras. Ik slik, want dat moet Foekje zijn. Veulens kun je niet goed grootbrengen op flesvoeding. We zullen een pleegmoeder moeten zoeken. Gelukkig vinden we er één, via facebook.

Mijn boer en ik brengen Germ erheen. Zal hij wel bij een vreemde merrie willen drinken? Weet hij hoe dat moet, nu hij een paar dagen met de fles is gevoed?

We hadden ons geen zorgen hoeven maken. De merrie heeft haar veulen verloren en al haar moederschap hormonen gieren nog door het lijf. Ze besnuffelt Germ liefdevol en draait haar staart weg van opwinding. Ik zie het vocht uit haar schede lopen. Als het buurpaard het waagt naar haar nieuwe passie te kijken, trapt ze, zo hard als ze kan, tegen de schutting die hun boxen scheidt:

“Wham! Mijn veulen!”

Ik slaak een kreet van schrik, maar er is niets aan de hand. Germ is veilig. En even later drinkt de kleine wees zijn buikje rond.

Onder de indruk van dit vertoon van levenskracht staan we te kijken. De eigenaar van de merrie is ook geëmotioneerd: zijn veulen is dood, maar daardoor zal dit veulen leven.

De volgende dag wordt Foekje opgehaald. Ik hoor de vrachtwagen als ik in de keuken runderlappen sta te snijden. Even voel ik aandrang om naar het raam te lopen, maar ik houd me in. In plaats daarvan roep ik de hond en geef hem een uitgebreide knuffel. Met de stoofschotel ga ik pas weer verder, als het gebrom van de wagen in de verte is weggestorven.


Groentje

vrijdag 22 juni 2018

Bij de Kapper



“Nee, ik heb niet aan Boer zoekt Vrouw meegedaan en nee ik hoef niet iedere dag te melken.”

Ik laat mijn haar knippen en de kapster is erg geïnteresseerd in mijn leven op de boerderij. De vrouwen in de stoelen naast me zijn verdacht rustig, dus ik vermoed dat ze meeluisteren.

“Ik werd toevallig verliefd op een man die boer bleek te zijn. En tegenwoordig is het niet meer vanzelfsprekend dat vrouwen automatisch mee werken. Al ben ik natuurlijk wel betrokken en help ik hier en daar een handje.”

“Het lijkt me heerlijk,” zucht de kapster, “Lekker buiten. Met de dieren. Relaxed.”
Relaxed?!

Dat hoor ik vaak. Veel vriendinnen denken dat het boerenleven veel ontspannender is dan hun eigen kantoorbaan.
“Nou dat valt wel mee hoor,” zeg ik dan. “Heb je mijn columns wel eens gelezen?”
“O ja. Als ik die lees, na een drukke werkdag, knap ik gewoon op.”

Beeldvorming is hardnekkig, maar Yvon Jaspers doet haar best om daar verandering in te brengen. Haar televisieprogramma Onze Boerderij gaat opvallend vaak over stress. Want dat hebben de meeste boeren waar ze op bezoek gaat. Gierende stress zelfs. Van de zorgen en het harde werken. Yvon vindt het maar zielig. En op haar onderzoeksvraag of het boerenleven echt wel zo romantisch is, luidt het antwoord heel duidelijk: nee.

Dat vind ik dan ook weer jammer. Want op zich is het boerenbedrijf natuurlijk prachtig. En als er echt te veel zorgen zijn en te lang te veel stress, dan kun je toch altijd ophouden en iets anders gaan doen? Mensen wisselen vandaag de dag zo vaak van baan. Dat is geen persoonlijk falen. Nietwaar?

Laatst interviewde ik een bankman over de agrarische sector. “Hij blijft zich verbazen,”zei hij, “In geen andere sector wordt zoveel kapitaal in ondernemingen gestopt, tegen zo’n laag rendement.”

Al klagen ze steen en been, boeren zijn niet uit hun boerderij te krijgen.
Waarom is dat? Zijn het stiekeme genieters, of kunnen ze domweg niks anders bedenken?

Mijn kapster heeft fantasie genoeg, plus een onverbeterlijk romantisch hart.

“Hoe is hij, jouw boer. Is hij leuk?” vraagt ze dromerig.
“Heel leuk.”

Even klinkt er niets anders dan het geknerp van scharen. Mijn ‘heel leuk’ zweeft door de salon. Ik voel de koelte van het metaal in mijn nek. Buurvrouw neemt een slokje van haar thee, slurpt een beetje. De kapster lijkt aandachtig door te knippen, maar kijkt me dan via de spiegel aan.

“Je hebt geluk,” concludeert ze met een stralende lach.
Ik lach terug, want dat klopt. Ik heb geluk.
“Mijn droom is zo’n schattig boerderijtje met wat land erbij,” gaat ze verder, “Voor mijn vriend zou dat ook heel goed zijn. Dan nemen we wat schapen, paarden. Varkens zijn ook zo lief. Weet je dat die helemaal niet vies zijn? Het zijn eigenlijk heel zindelijke dieren...”

En dan doet ze de föhn aan. Mijn haar wordt keurig in model geblazen, maar ons gesprek is afgelopen.

Groentje

vrijdag 25 mei 2018

Het Beloofde Land




Als je het over biodiversiteit hebt, ben je bij ons aan het goede adres. We hebben niet alleen diverse vogels in het veld, maar ook geregeld vreemde vogels aan de keukentafel.

Nu is het koffietijd en er komt een echte meneer binnen, strak in het pak. Hij negeert de blaffende hond, mijn vragende blik en schuift gewoon aan. Ik kan nog net een doekje over de tafel halen, voordat hij zijn arm met krijtstreep, in de havermout resten legt.

Hij krijgt gezelschap van onze medewerkers, die de keuken vullen met een walm van kuil en smeerolie. Meteen daarna duikt mijn boer op vanuit de woonkamer, gapend, de haren recht overeind. Hij heeft een dutje op de bank gedaan, maar is alweer wakker genoeg om de krijtstreep weg te sturen. Morgen staat er kuilen op het programma, dus er moet gemaaid en geharkt worden.

Mijn boer is daar vanaf zes uur vanmorgen al mee bezig geweest, totdat de jongens het overnamen. Nu is er ruimte voor andere dingen, mits hij zijn telefoon bij de hand houdt. En hij kan geen gezeur hebben: deze dagen staan in het teken van ‘de eerste snee’. Met de eerste snee haal je het beste gras van het jaar binnen, dus de organisatie moet gesmeerd verlopen.

Het gewone werk gaat daarnaast natuurlijk door.

‘Ga je mee naar Het Beloofde Land?’ vraagt mijn boer.

Het Beloofde Land bestaat uit een aantal percelen waar we alleen jongvee weiden. We noemen het zo, omdat het er zo mooi is.

‘Het wordt tijd dat Cornelis zijn veertig maagden krijgt,’ vult hij aan.

Cornelis is de Friese roodbonte stier die al een tijdje apart stond. Een jonkie nog en totaal ongevaarlijk. Maar nu mag hij dus het vee gaan dekken. Dit ras hadden we nog niet, maar wij werken met allerlei kruisingen, omdat genetische diversiteit sterkere dieren oplevert, die passen bij onze extensieve manier van boeren.

Even later hotsebotsen we met onze veewagen door het weiland. Helemaal naar achteren, waar de pinken ons nieuwsgierig opwachten.

Als we de klep open gooien, zijn we benieuwd hoe Cornelis gaat reageren. Voorzichtig stapt hij naar buiten, knippert met zijn ogen tegen de zon en wordt meteen omringd door belangstellende jonge dames. Dat is blijkbaar beangstigend, want hij zet het op een rennen. De veertig maagden achter hem aan.

Zo verdwijnt Cornelis in een zee van boterbloemen, pinksterbloemen en zuring. Boven hem roepen grutto’s, tureluurs en kieviten dat hij op moet passen. Maar wij hebben alle vertrouwen in hem. Uiteindelijk zal hij voor gezonde nakomelingen zorgen.

Hand in hand kijken we hem na. Wat is het heerlijk om boer te zijn. Zo met de warme zon in ons gezicht, wind in de haren en omringd door bloeiende weiden.

Dan gaat de telefoon: de jongen die zou harken is verhinderd. Wat nu?

‘Ik doe het wel,’ zegt mijn boer.

Het geeft niet. Het is een mooie dag.



Groentje

donderdag 10 mei 2018

Feestvarken




“Doe je dat aan?” vraagt mijn boer als ik in een mooie jurk naar beneden kom.
“Ja, hoezo?”
We gaan naar een themafeest, met als speciale activiteit het slachten van een varken.
“Wat?!

Ik had me verheugd op een middagje lui keuvelen, onder het genot van door anderen aangevoerde hapjes en drankjes. Zuchtend vis ik een schort uit de kast en prop die samen met het kadootje in mijn handtas. 

Ik kan het bijna niet geloven, maar als we aankomen zijn de eerste gasten al aan het uitbenen. De keukentafel ligt bezaaid met bloederige delen en er wordt enthousiast met levensgevaarlijke messen gezwaaid. De sfeer is geanimeerd. Deze mensen beleven iets unieks; iets authentieks. Er is er één die ervaring heeft en de rest luistert gretig naar zijn aanwijzingen. 

Mijn bewondering voor de gastheer groeit met de minuut. Wat een briljant idee: wij betalen de slager voor iets dat hij zijn vrienden gratis laat doen. En die ervaren het als een traktatie! Ik moet zelfs wachten op mijn beurt.

Ik kijk even in de schuur. Daar knorren twee lieve biggen. Ik kriebel ze achter hun oren en fantaseer over ook een paar varkentjes. We zouden zo een hoekje land voor ze kunnen afzetten. Bovendien vind ik een varkenslapje op zijn tijd niet te versmaden.

Ik herinner me de Italiaanse boeren waar ik in een vorig leven vaak kwam. Zij hadden ook varkens en mijn dochter was dol op die beesten. Op een dag vroeg boer Giampiero of ze bij de varkens wilde kijken. Dat wilde ze wel. Hij gebaarde dat ze mee moest komen, maar liep een onverwachte kant op: niet naar het varkenshok. We volgden hem toch maar. Hij opende een deur en ja hoor: daar hing het varken, in twee helften. Onder iedere helft stond een emmer bloed.

Verschrikt keek ik naar mijn kleine meid, hoe zou ze dit opnemen? Zij luisterde echter geïnteresseerd naar wat Giampiero vertelde:
“Kijk dat wordt heerlijke ham, daar maakt Marta worst van en dat is ideaal om te roosteren. Een beetje rozemarijn erbij…”

Zonder een spoor van sensatiezucht benoemde hij ieder deel van het beest. Giampiero dacht dat mijn zesjarige dochter het interessant zou vinden hoe een varken in vleeswaren verandert en daar had hij gelijk in. Doordat hij er zo gewoon over deed, vond ze het ook niet eng, of zielig.

In het moderne leven zijn we ver van deze mentaliteit afgedreven. De meeste mensen kopen onherkenbare stukken vlees, verpakt in glimmend plastic, bij de supermarkt om ze daarna gedachteloos te verorberen.

Maar misschien is er sprake van een kentering, nu het uitbenen van pas geslachte dieren kennelijk als feestelijk wordt beschouwd.

Dan verschijnt het feestvarken zelf in de deuropening.
“Wil jij ook even worsten draaien? Dat mag hoor. Het kan nu.”
‘Ja leuk,” roep ik en bind mijn schort voor.


Groentje

woensdag 18 april 2018

Een beestje voor in de vriezer





“Hoe vind je me?”
Ik draai een rondje voor mijn boer. Ik heb een nieuwe jas. Een bontjas. Bont is zo heerlijk zacht en warm. En ik voel me er zo vrouwelijk in.
Hoe kun je?! roepen mijn vrienden.
Wel, bont is wat mij betreft gewoon leer met haartjes. Maar ik zal er nooit beschermde diersoorten voor opofferen. Dat niet. En om me helemaal niet bezwaard te hoeven voelen, heb ik de volgende oplossing bedacht: een vintage jas van mollenbont. Als dat niet duurzaam is! Tegenwoordig gooien ze die velletjes weg.

Mijn boer vindt me prachtig, maar heeft ondertussen een praktische vraag:
“Zullen we weer een beestje in de vriezer doen?”
Ik weet dat dit boeren jargon is voor huisslachting. Maar dan gaat hij verder:
“Ik heb een bijzonder exemplaar. Mooie vetbedekking. Een kween. Maar ze telt wel mee in de fosfaatrechten.”
“Wat is een kween en wat heeft dat met fosfaatrechten te maken?”

Een kween is de vrouwelijke helft van een tweeling. Haar broertje heeft testosteron afgegeven in de baarmoeder van hun moeder. Daardoor ontwikkelen de baarmoeder en de eierstokken zich niet.
Fosfaatrechten bepalen hoeveel vee je kunt houden. Het is jammer een kween te onderhouden, omdat die nooit melk gaat geven. Deze is al tweeëneenhalf jaar en werd maar niet kolf. Kolf betekent zwanger van een kalf.”
“Dat laatste weet ik.”
“Ik had het eerder moeten zien.”
Mijn boer baalt een beetje en begint aan een lang verhaal om zich te rechtvaardigen.
Ik streel mijn jas en peins over het verschijnsel kween.

Opeens gaat me een lichtje op.
“Het is een hermafrodiet!” roep ik.
“Een wat?”
“Dat is een tweeslachtig wezen. Hermaphroditus is een god uit de Griekse Mythologie. De zoon van de god Hermes en de godin Aphrodite. Hij wordt meestal als een vrouwelijke figuur afgebeeld, met mannelijke geslachtsdelen.”
“O,” zegt mijn man, “Nou, je hebt er niks aan. Behalve misschien dat ‘ie lekker gaat smaken.”

‘s Middags stuur ik een mail naar onze klanten, om de belangstelling voor een vleespakket te inventariseren. Ze weten het allemaal wel, maar ik schrijf toch weer dat we biologisch zijn en antibioticavrij. Deze “koe” heeft bovendien nul krachtvoer gehad en dat levert extra smakelijk vlees op, vol gezonde vetzuren. Dit soort karakteristieken trekt mensen over de streep.

Er wordt steeds meer een beroep op de bewuste consument gedaan, om minder vlees te eten en dat is de doelgroep waar wij het van moeten hebben. Ik aarzel of ik het feit dat het om een kween gaat, zal noemen. Uiteindelijk doe ik het niet: te veel “persoonlijke” details werpen een drempel op, om het dier daadwerkelijk op te eten.
De moderne consument is gevoelig.

Dat vind ik overigens heel goed. Gedachtenloos van alles naar binnen schuiven, veroorzaakt dierenleed, milieuschade en gezondheidsklachten.

Maar ik ben blij dat de mollen aan mijn kapstok en de Griekse godheid in de stal niet mee kunnen lezen.

Groentje

maandag 26 maart 2018

IJspret



De paarden stampen op het ijs in de greppels, op zoek naar water. De zwaan die in de sloot naast de stal woont, zit hongerig op de kant. Het is al een paar nachten min tien geweest en er staat een snijdende wind. Deze heeft vrij spel rondom de boerderij. Binnen is het niet warm te stoken en uit de stopcontacten komen poefjes koude lucht.
Vier dagen geleden waren we nog blij: de grond was eindelijk hard genoeg om mest uit te rijden. Bovendien houden we van schaatsen, vooral op natuurijs.

Maar we hadden de ijzers nog niet uit het vet, of de melker belde: in de melkstal was de watertoevoer bevroren. De koeien konden wel gemolken worden, maar  voordat de boel weer schoon was, werd het al donker.
“En dan te bedenken dat je vader vroeger bij het melken, met één emmertje water al zijn koeien poetste,” vertelt oma.
“Dát was pas duurzaam,” zegt mijn boer.
“Maar niet hygiënisch,” reageert oma, met opgetrokken neus.

’s Avonds bellen collega-boeren. Ze hebben allemaal problemen met de drinkwaterleidingen in hun stal en verwachten dat het in onze open stal nog veel erger is. Dat zou ze opbeuren. Maar helaas, we moeten ze teleurstellen: wij hebben de leidingen onder de stal aangebracht en het water vloeit er probleemloos. De koeien hebben overigens ook geen last van de vorst. Ze zijn wel wat gewend en hebben een dikke wintervacht.

Wel wil de trekker bijna niet schakelen en gaat ‘ie  daardoor steeds uit.

Dan bevriezen de leidingen in de jongveestal, ondanks het geavanceerde rondpompsysteem met verwarming en het feit dat deze wel gesloten is. De dieren moeten handmatig van water worden voorzien. Opeens bedenk je wat een zuiplappen het eigenlijk zijn! Onze melktaxi, waarmee de kleinste kalfjes normaliter melk krijgen, wordt omgedoopt tot watertaxi.

De kou wordt steeds minder leuk. Alles kost meer tijd en van schaatsen is het nog niet gekomen. Alleen de pup glibbert over de sloten. Ze heeft net uitgevonden dat dat kan en amuseert zich eindeloos met dit nieuwe spelletje. Tot de zwaan op haar afkomt. Met zijn laatste krachten heft hij de vleugels. Het hondje gaat er wijselijk vandoor.

Ik heb medelijden met de vogel. Kan ik iets voor hem doen? Zijn vrouwtje is twee jaar geleden tegen de hoogspanningsmast gevlogen. Hij zit daar maar alleen, naar het ijs te staren.
Ik ook trouwens. Maar zondag gaat het gebeuren: er is weliswaar dooi aangekondigd, maar we kunnen vast nog wel even samen over het ijs zwieren.

‘Eerst een dutje,’ zegt mijn boer, die moe is van alle extra werk, ‘dan gaan we.’
Eenmaal op schaatsen, is de wind gaan liggen. We koesteren ons in het warme zonnetje. Wat een genot! Alleen de ijskoningin vaart er niet wel bij. Haar vloer kreunt en kraakt. Er vormen zich plassen water.

De winter is voorbij.

Toch jammer: we hebben nu eindelijk tijd.


Groentje

maandag 5 maart 2018

Kefir in Tirol





Ik tuur naar de blinkend witte helling. Er zoeven tientallen skiërs  voorbij, maar mijn boer zie ik nergens. Terwijl hij toch op zou moeten vallen, in zijn melkersoveral, die hij bij wijze van skipak draagt.
We zijn beginnelingen  en hebben net onze eerste les er opzitten. Ik peddel nog wat rond op het kinderheuveltje. Dat was mijn boer natuurlijk te min, dus hij nam de lift naar boven en sindsdien is hij spoorloos.
Eindelijk zie ik hem aankomen, met ijzingwekkende snelheid. Ik roep zijn naam. Dan krijgt hij mij in het vizier en laat zich vallen. Vlak voor mijn voeten komt hij tot stilstand.
‘Fijn dat je er bent,’ zeg ik, ‘Zullen we gaan? We moeten nog melk voor de kefir halen.’

Kefir is een fris zure melkdrank, die beroemd is om zijn heilzame effect op de gezondheid. Wij maken het daarom iedere dag. En dat is heel gemakkelijk. Je doet de kefirkorrels, die bestaan uit melkzuurbacteriën en gisten, in een kan melk en laat die een etmaal staan. De volgende dag is de melk kefir geworden. Het enige probleem is dat de korrels dood gaan, als ze niet op tijd verse melk krijgen. We hebben ze daarom mee genomen op vakantie.

En zodoende rijden we even later door de bergen op zoek naar een melkveehouderij. Want melk, direct van de boer, is natuurlijk de beste. We stoppen bij een robuust gebouw met veel houtwerk. Er staan kuilrollen in het bekende pastelkleurig plastic naast. Hier zijn we vast aan het goede adres.
‘Volluk!”
De ontvangst is allerhartelijkst. Net als in Nederland is het melkerstijd, maar de boer neemt de tijd en toont ons trots zijn twintig Tiroolse Grijzen, het regionale ras. De meeste Oostenrijkse boeren die wij zagen, hebben dat type en ook ongeveer dat aantal koeien.

Hoeveel stuks vee wij hebben?
We durven de waarheid niet te zeggen en halveren het werkelijke aantal.
De man slaat nog stijl achterover. Maar zij hoeven niet van hun veestapel te leven, vertrouwt  hij ons toe. Zoals hier gebruikelijk is, hebben hij en zijn vrouw nog een baan.
‘Waarom heeft die koe een klem op zijn hoorns,’ vraag ik.
‘Dat is om ze  mooi in vorm te krijgen.’
Deze boer doet mee aan shows. Of wij ook belangstelling hebben? Vanavond is er een koeiententoonstelling in het nabijgelegen dorp.

En zo kan het gebeuren dat we in een horde enthousiaste Tirolers verzeild raken en meejuichen als hun  koeien, ieder met een kleurrijke band en een bel om de hals, worden voorgeleid. Ik vind vooral de pluizige oren en zachte oogopslag van dit vee mooi, maar het gaat natuurlijk om serieuzere zaken, zoals uierophanging en beengestel. Én de vorm van de horens. Dat laatste vind ik sympathiek. Dat niet alles om productie draait.

Oh ja, de melk.
Die is prima kefir geworden!


Groentje




maandag 19 februari 2018

Opgeruimd staat netjes.




Mijn boer is aan het rubberen. Zo noemen wij het schoonmaken van het erf met een rubberen schuif, die aan de verreiker bevestigd is. Hij is druk bezig, terwijl het helemaal niet vies is. Ik wuif naar hem, maar hij ziet me niet. Zo fanatiek is hij.
‘Joehoe!’ roep ik.
Nu remt hij wel en draait het raampje naar beneden.
‘Wat is er?’
‘Waarom rubber je? Hebben we een feestje?’
‘Beslist geen feestje. We krijgen de FUMO op visite.’

FUMO staat voor Friese Uitvoeringsdienst Milieu en Omgeving. Deze instantie controleert bedrijven, of ze zich wel aan de regels houden. Ik zie ze nog voor de deur staan: een verbolgen meneer en mevrouw in uniform. Compleet  met handboeien en pepperspray.

Wij composteerden gras voor onze potstal. Dat is een milieuvriendelijke activiteit, omdat de ruige mest, die daarmee in de potstal ontstaat, wordt gebruikt om het land mee te bemesten. Dat is heel goed voor de bodem. Bovendien komen er veel insecten op af en daar smullen de weidevogels weer van.

Het probleem was echter dat dat gras in een grote bult naast de boerderij lag. Dat zag er niet netjes uit. Eerlijk gezegd, hadden we al een waarschuwing gekregen, maar door allerlei belangrijker werkzaamheden, zoals kuilen en mest uitrijden, lag het er nog.
‘Schandalig,’ was het commentaar en er werd met een dwangsom van tienduizenden euro’s gedreigd.  Om een lang verhaal kort te maken: ze zijn nog twee keer teruggekomen, maar na veel gesoebat en gedoe, kregen we net niet een bekeuring.

En nu komen ze dus weer. Het is inmiddels al twee jaar geleden, maar we staan vast op de zwarte lijst. En als ze willen, kunnen ze altijd iets vinden.
Mijn boer is inmiddels, met de verreiker, bij de sleufsilo aangekomen. Daar wordt de wintervoorraad kuil voor de koeien opgeslagen en die is net op. Er ligt alleen nog wat verrot spul achterin. Dat wil hij nog even opruimen in verband met de erfafspoeling. Als er water op valt, loogt dit afval namelijk uit en daarvan krijg je vies water in de sloot. Dat wil je natuurlijk niet én er staat een boete op.

Geconcentreerd op de schuif, rijdt mijn boer, stapvoets, strak langs de kant. Hij zit op het puntje van zijn stoel, het hoofd naar rechts gedraaid. Dan komt hij met de verreiker net tegen het hoekje van de sleufsilo.
Wam!
Hij knalt naar voren en slaat met zijn hoofd tegen het raam. Helemaal daas stopt hij het voertuig en wankelt naar het woonhuis.

Daar staat een vriendelijke meneer op de stoep, die bezorgd naar het welzijn van mijn boer informeert. Verbaasd kijken we naar het identiteitsbewijs dat hij ons ondertussen voorhoudt: hij is van de Fumo… De beste man inspecteert het hele bedrijf en is tevreden. Het kleine beetje kuilafval dat er nog ligt, neemt hij voor lief.
Bij de avondmaaltijd proosten we op de goede afloop. We kunnen er maar niet over uit: een inspecteur met gezond boerenverstand!



Groentje

dinsdag 23 januari 2018

Een bijzonder Beest



Kipstra is weg. Het enige wat ik van haar vind, is een bosje witte veren tegen het gaas van het kippenhok. Er is een vogelgriepuitbraak en al het gevogelte dient te worden opgehokt. Nou zitten onze kippen in de schuur, maar voor twee is er een uitzondering gemaakt. En nu moeten die ook naar de stal.

De ene is een klein Fries leghennetje. Zij was de laatste van een groepje kippen, dat ons jarenlang van eieren voorzag. Om haar eenzaamheid  te doorbreken, haalde ik een vleeskuiken uit de stal en zette die bij haar in het kippenhok. Het was geen liefde op het eerste gezicht, maar na een dag wantrouwig loeren, werden ze toch vriendinnen. Samen scharrelden ze door de tuin: de grote en de kleine. Kipstra groeide, zoals een vleeskip betaamd, als kool. Na een paar weken kostte het haar al moeite om zich door de opening van het nachthok te wurmen. En op een nacht bezweek de slaapstok onder hun gezamenlijke gewicht.

Ik vond het leuk Kipstra te zien opgroeien, omdat onze vleeskippen na negen weken al naar de slacht gaan. Als klein kuikentje zien ze er schattig uit, maar daarna doen ze nog het meeste denken aan lelijke pubers in slordige jassen.  Zodra ze een beetje knap in de veren zitten, is hun laatste uur geslagen. Kipstra kreeg de kans uit te groeien tot een rijzige kippendame in een keurige witte mantel. Maar nu kan ik haar dus nergens meer vinden en ik maak me zorgen. Zou ze door een vos gegrepen zijn? Het Friese leghennetje tokt eenzaam rond.

Ergens is het absurd dat ik me druk maak om deze ene kip. De honderden kippen in de stal negeer ik namelijk meestal. Een keer ging ik met mijn boer mee naar de slachterij. Wij stonden daar met ons bestelbusje, terwijl voor en na ons vrachtwagens met tienduizenden kippen werden gelost. Deze werden op een lopende band gezet, waar ze argeloos om zich heen keken. Een paar seconden later waren ze dood. Het was indrukwekkend, maar ik had geen gevoelens voor de individuele kip. Dat is wat aantallen blijkbaar met je doen.

Wat koeien betreft hebben we een zogenaamde megastal. Dat heeft een negatieve klank. Misschien om dezelfde reden: de macht van het getal? Is men bang dat we ons minder om de individuele koe bekommeren? 

Ik begrijp die zorg, maar in de praktijk valt het mee. We passen goed op ieder beest en mijn man kent ze alle driehonderd. ‘Het is een kwestie van aandacht en aanraking,’ zegt hij. Daarnaast zijn hoeveelheden relatief. In de VS zijn bedrijven met tienduizenden koeien heel gewoon. Toch is dat voor mijn gevoel veel te veel, want te anoniem.

Dan zie ik een witte vlek tussen de frambozenstruiken. En ja hoor, het is Kipstra. Blij loop ik de tuin in, om haar op te hokken. Veilig tussen haar soortgenoten.


Groentje

dinsdag 2 januari 2018

Stille Nacht




Alles en iedereen is in diepe rust, behalve ik. Het is stil. Geen tractor, geen auto’s, geen geloei , geblaf of gepraat. Ik kan de slaap niet vatten en kijk door ons slaapkamerraam. Eén van de mooie dingen van buiten wonen is, dat je ’s nachts de sterren zo goed kunt zien. Ze twinkelen helder in de winterse hemel, die niet zo donker is als je zou verwachten.
De jaarwisseling is voorbij en ik loop de afgelopen maanden nog eens na. Het was een mooi jaar, met al het geworstel en gedoe dat bij een vol leven hoort. Oud en nieuw is echter rustig verlopen: met oliebollen en een bezoekje. Niets bijzonders.

Ik herinner me een oudejaarsavond waar ik me veel van had voorgesteld. We logeerden bij een boerenfamilie op het Italiaanse platteland. Ik was er ’s zomers veel geweest en dan namen ze ons altijd mee naar allerlei dorpsfeesten in de buurt. Ieder dorp had zijn specifieke happening: het festival van de kaas, de wijn, een speciaal gerecht, een historische held, noem maar op. Alles werd aangegrepen om met elkaar te eten, te drinken en te dansen. Tijd speelde geen rol. We gingen laat naar bed. Voor de boeren scheen dat niet uit te maken: zij deden enthousiast met alle activiteiten mee, om bij het krieken van de dag gewoon weer aan de slag te gaan.

Voor deze feestavond had ik eenzelfde feestelijk energie verwacht. En het begon ook allemaal naar verwachting: met een copieus diner. Het ene traditionele gerecht na het andere werd opgediend en de zelf gebrouwen wijn vloeide rijkelijk. Op de varkenspootjes na, liet ik het me goed smaken. Toen we het toetje ophadden en daarna nog een dessertwijn en een grappa en een espresso met een flinke scheut anijslikeur, kon het feest beginnen. Dacht ik.

Alle Italianen lieten zich in een luie stoel zakken en bleven daar de rest van de avond zitten. Nou ja, de rest van de avond. Toen het half elf was, konden ze hun ogen nauwelijks meer open houden en begonnen ze te gapen. Dat was voor de oudste van de familie het teken, om aan te kondigen dat we nu het vuurwerk zouden afsteken. Dan konden we daarna lekker naar bed. En zo gebeurde het dat ik op die oudejaarsavond al om elf uur onder de wol lag, terwijl heel Europa aan het feestvieren was.

Het was een nacht als deze. Met een volle maan die groot en rond stond te schijnen. Onverschillig voor wat we hier beneden allemaal uitspoken.
Die Italiaanse boeren hebben gelijk, mijmer ik. Wat maken we ons druk. Doe toch waar je zin in hebt. Vooral in de winter zouden we het best wat rustiger aan kunnen doen. Gekke mensen. Stille nacht heilige nacht.

En dan val ik in slaap.


Groentje