maandag 30 juli 2018

Helden



Wormen sluimeren in de aarde, staan al weken op non-actief, terwijl boven hen het gras verschrompelt. Wij kruipen bij elkaar in het schaduwrondje van de parasol. Nippend van koffie, die maar niet af wil koelen.

Dan gaat de telefoon. Het is een onbekende mevrouw:
“Ik rijd net voorbij met de trein en zie een koe in de sloot. Gelukkig kon ik uw adres via google achterhalen en u zodoende hiervan in kennis stellen.”
“O. Nou. Hartelijk dank mevrouw!”
“Graag gedaan hoor! Ik vond dat ik iets moest doen.”
Deze dame kan tevreden zijn: zij heeft haar goede daad verricht.

We hebben een paar nieuwe koeien die niet gewend zijn uit de sloot te drinken -dat is tegenwoordig namelijk niet meer vanzelfsprekend- en die kukelen er geregeld in. Niet erg, maar we moeten ze er wel steeds uitvissen. En bezorgde voorbijgangers geruststellen: “Koeien kunnen zwemmen. Het water is warm. Nee meneer, er overkomt hen niks. We gaan er zo naar toe.”

Een medewerker had een akkefietje met de sjorband die hij bij het ‘vissen’ gebruikt:
“Ik was mijn vingers bijna kwijt!”
Zo komt ons gesprek op verwondingen.
“Heb je mijn voet wel eens gezien? Daar heb ik eens een paal doorgekregen. Ik ben er gewoon op naar huis gelopen.”
“Mijn middenhandsbeentje is vorige week gebroken. Gips is geen optie, want dan kan ik niets meer.
“Mijn ringvinger...”
Enzovoort.

Als ik de kring rond kijk, verwonder ik me erover dat iedereen nog over een complete set ledematen beschikt. Al doet niet alles het meer optimaal.  Kleinzerig zijn ze niet, die boeren. Daarbij passen ze niet goed op zichzelf, want ze moeten immers ​door.

​De telefoon gaat.
In het dorp verderop is een koe ontsnapt. Of we kunnen helpen. Het gaat om een koe die in een toneelstuk over een melkveehouder meespeelt. Deze denkbeeldige boer is met zijn bedrijf gestopt en voert nu gesprekken met zijn laatste dier. We krijgen allemaal een vrijkaartje, als we ​nu ​komen.

Misschien komt het van het stoere verhalen vertellen, maar wij springen meteen in de auto. Helaas kunnen we geen heldendaden verrichten. De auteur staat ons triomfantelijk op te wachten. Verbaasd kijken we van hem naar de koe. Maar dan verschijnt er nog iemand, een wat ruiger type.
“Het is ons al gelukt,” zegt de acteur, terwijl hij naar zijn kompaan knikt, “Maar heel aardig dat jullie er zijn.”
Tsja. Nou ja, we hoeven tenminste niet in de zon rond te rennen...

Het lijkt hier nog droger dan bij ons. Met de punt van mijn laars volg ik de barsten in de grond. De skyline van Leeuwarden trilt in de hete lucht.
“Regent het bij jullie al?” vraagt de ruige, terwijl hij een kluitje keiharde klei wegschopt.
"Pijpestelen."

Dan gaat de telefoon: koe in de sloot.
“We komen eraan!”
En zo racen we weer naar huis. Met de radio op tien en wapperende haren van de airco.


Groentje

maandag 9 juli 2018

Onder een plastic zeiltje



Er ligt een koe aan de weg. Het landbouwplastic waarmee we overleden beesten bedekken, bolt flink op. Gelukkig is het niet warm, anders zou je haar ook nog ruiken.

“Kan dat niet anders?” heb ik mijn boer herhaaldelijk gevraagd.

“We kunnen karkassen ook in een bak op het erf opbergen, totdat de ophaaldienst Rendac komt, maar dat kost geld. En wie weet wat voor ziektekiemen met die Rendac wagens meekomen. Die wil ik niet op het erf.”

Ik ben inmiddels aan de aanblik gewend, maar hoe voelt de argeloze bezoeker zich, als het plastic is opgewaaid, of als er per abuis een paar poten onderuit steken?

De meeste mensen hebben niet zo vaak met de dood te maken, als een doorsnee boer.

Maar nu kan ik wel stoer doen: de ene dood is de andere niet. Als Jouke, de hond dood gaat, vind ik dat heus erg. Veel erger dan bijvoorbeeld de dood van een kalf.

Als ik de keuken inloop, zit daar mijn boer. Hij ziet er aangedaan uit:

“Foekje is overleden.”

Foekje was onze merrie en ze was drachtig.

Was.

“En het veulen?”

“Een hengst. Hij is geboren en gezond. Gelukkig heeft hij biest gehad, maar hij moet snel weer hebben.”

Ik loop naar het raam en zie kleine Germ in de wei staan. Een fragiel zwart figuurtje op veel te grote benen. Een raar gezicht. Normaal zijn veulen en merrie onafscheidelijk. Dan ontwaar ik, achter in de wei een zwarte vlek in het gras. Ik slik, want dat moet Foekje zijn. Veulens kun je niet goed grootbrengen op flesvoeding. We zullen een pleegmoeder moeten zoeken. Gelukkig vinden we er één, via facebook.

Mijn boer en ik brengen Germ erheen. Zal hij wel bij een vreemde merrie willen drinken? Weet hij hoe dat moet, nu hij een paar dagen met de fles is gevoed?

We hadden ons geen zorgen hoeven maken. De merrie heeft haar veulen verloren en al haar moederschap hormonen gieren nog door het lijf. Ze besnuffelt Germ liefdevol en draait haar staart weg van opwinding. Ik zie het vocht uit haar schede lopen. Als het buurpaard het waagt naar haar nieuwe passie te kijken, trapt ze, zo hard als ze kan, tegen de schutting die hun boxen scheidt:

“Wham! Mijn veulen!”

Ik slaak een kreet van schrik, maar er is niets aan de hand. Germ is veilig. En even later drinkt de kleine wees zijn buikje rond.

Onder de indruk van dit vertoon van levenskracht staan we te kijken. De eigenaar van de merrie is ook geëmotioneerd: zijn veulen is dood, maar daardoor zal dit veulen leven.

De volgende dag wordt Foekje opgehaald. Ik hoor de vrachtwagen als ik in de keuken runderlappen sta te snijden. Even voel ik aandrang om naar het raam te lopen, maar ik houd me in. In plaats daarvan roep ik de hond en geef hem een uitgebreide knuffel. Met de stoofschotel ga ik pas weer verder, als het gebrom van de wagen in de verte is weggestorven.


Groentje