maandag 9 juli 2018

Onder een plastic zeiltje



Er ligt een koe aan de weg. Het landbouwplastic waarmee we overleden beesten bedekken, bolt flink op. Gelukkig is het niet warm, anders zou je haar ook nog ruiken.

“Kan dat niet anders?” heb ik mijn boer herhaaldelijk gevraagd.

“We kunnen karkassen ook in een bak op het erf opbergen, totdat de ophaaldienst Rendac komt, maar dat kost geld. En wie weet wat voor ziektekiemen met die Rendac wagens meekomen. Die wil ik niet op het erf.”

Ik ben inmiddels aan de aanblik gewend, maar hoe voelt de argeloze bezoeker zich, als het plastic is opgewaaid, of als er per abuis een paar poten onderuit steken?

De meeste mensen hebben niet zo vaak met de dood te maken, als een doorsnee boer.

Maar nu kan ik wel stoer doen: de ene dood is de andere niet. Als Jouke, de hond dood gaat, vind ik dat heus erg. Veel erger dan bijvoorbeeld de dood van een kalf.

Als ik de keuken inloop, zit daar mijn boer. Hij ziet er aangedaan uit:

“Foekje is overleden.”

Foekje was onze merrie en ze was drachtig.

Was.

“En het veulen?”

“Een hengst. Hij is geboren en gezond. Gelukkig heeft hij biest gehad, maar hij moet snel weer hebben.”

Ik loop naar het raam en zie kleine Germ in de wei staan. Een fragiel zwart figuurtje op veel te grote benen. Een raar gezicht. Normaal zijn veulen en merrie onafscheidelijk. Dan ontwaar ik, achter in de wei een zwarte vlek in het gras. Ik slik, want dat moet Foekje zijn. Veulens kun je niet goed grootbrengen op flesvoeding. We zullen een pleegmoeder moeten zoeken. Gelukkig vinden we er één, via facebook.

Mijn boer en ik brengen Germ erheen. Zal hij wel bij een vreemde merrie willen drinken? Weet hij hoe dat moet, nu hij een paar dagen met de fles is gevoed?

We hadden ons geen zorgen hoeven maken. De merrie heeft haar veulen verloren en al haar moederschap hormonen gieren nog door het lijf. Ze besnuffelt Germ liefdevol en draait haar staart weg van opwinding. Ik zie het vocht uit haar schede lopen. Als het buurpaard het waagt naar haar nieuwe passie te kijken, trapt ze, zo hard als ze kan, tegen de schutting die hun boxen scheidt:

“Wham! Mijn veulen!”

Ik slaak een kreet van schrik, maar er is niets aan de hand. Germ is veilig. En even later drinkt de kleine wees zijn buikje rond.

Onder de indruk van dit vertoon van levenskracht staan we te kijken. De eigenaar van de merrie is ook geëmotioneerd: zijn veulen is dood, maar daardoor zal dit veulen leven.

De volgende dag wordt Foekje opgehaald. Ik hoor de vrachtwagen als ik in de keuken runderlappen sta te snijden. Even voel ik aandrang om naar het raam te lopen, maar ik houd me in. In plaats daarvan roep ik de hond en geef hem een uitgebreide knuffel. Met de stoofschotel ga ik pas weer verder, als het gebrom van de wagen in de verte is weggestorven.


Groentje

Geen opmerkingen:

Een reactie posten