maandag 20 augustus 2018

Varkentjes wassen





“Wat is uw relatienummer?” vraagt de klantenservicemedewerker van de RVO, als ik mijn biggen wil aanmelden. Ik blader in de stapel papieren die nu al zijn binnengekomen, omdat ik straks maar liefst twee stuks vee zal bezitten. Wat een administratie! 

Toch lees ik het nummer met gepaste trots voor: nu ben ik een echte boerin. Ik woon natuurlijk op een boerderij en ben overal bij betrokken, maar ik maak geen deel uit van de VOF. Mijn eigen levende have bestaat slechts uit een hond, een kat en twintig aquariumvissen. 

Maar binnenkort komen daar dus varkens bij. Ik heb al namen bedacht: Wopke en Wytske en ik ben van plan de biggen van deze biggen te verkopen. Ondertussen mogen ze een mooi leven leiden op het eiland achterin de tuin. Ik zal nog wel wat moeten leren over varkens verzorging, want ik heb alleen ervaring met spekjes, maar hoe moeilijk kan het zijn? 


De beesten die uiteindelijk arriveren zijn echter niet zo schattig als ik had verwacht. Ik denk dat ze wel twintig kilo per stuk wegen én ze hebben al eigen ideeën: niet opgetild worden bijvoorbeeld. 

Mijn boer draagt ze één voor één over het bruggetje. Ze spartelen heftig tegen en ik begrijp waar de uitdrukking: gillen als een speenvarken vandaan komt. Allemachtig. Ik loop er met de vingers in mijn oren achteraan. Blij dat hij dit varkentje voor me wast. Eenmaal op het eiland verdwijnen ze in het struikgewas. 
Wat nu? 
Ik roep hun naam. Tevergeefs. Nou ja, als ze honger krijgen, komen ze vast wel weer opdagen.. 

En zo gaat het ook. Ze wennen snel en komen inmiddels aanrennen, zodra ze me horen. Steken hun kop in de emmer en protesteren, als de inhoud hen niet naar de zin is. En dat brengt me op het volgende probleem: de noodzaak van een gedegen biggen opvoeding, De beesten groeien als kool en wat als ze enthousiast tegen me opspringen, wanneer ze meer dan honderd kilo wegen? 

Daarom doe ik nu maar, alsof het honden zijn. Ik corrigeer ze luidkeels, geef ze zo nu en dan een tik op hun snuit en aai ze over de bol, bij goed gedrag. Dat helpt. Het zijn al best wel keurige biggen. En het is een prachtig gezicht ze te zien rondscharrelen. Als ik op het terras zit, hoor ik ze gezellig met elkaar knorren. 

De hond wordt echter steeds jaloerser. Op een dag besluit hij naar het eiland te zwemmen. Met zijn kop en staart net boven het eendekroos, peddelt hij langs de stroomdraad, die zijn roze concurrenten op hun eiland moet houden. Want die pootjebaden al, dus wie weet wagen ze ook nog eens de oversteek. Ik laat hem begaan en zoals verwacht, houdt hij het na een minuut of vijf voor gezien. 

“Kom Jouke,” roep ik en geef hem een hondensnoepje. Dan dirigeer ik hem naar zijn mand. Ieder zijn plaats. Het moet hier geen beestenboel worden.


Groentje