maandag 17 september 2018

Prinses





Jij kunt de sjees er wel naar toe naar rijden, dan breng ik Pronkje.’

‘Dat mag ik niet,’ reageer ik verontrust.

Op de boerderij is met aanhangers rondrijden dagelijkse kost: er moet altijd van alles getransporteerd worden, maar ik ben daar niet zo handig in. Bovendien heb ik er niet het juiste rijbewijs voor.

We doen mee aan het traditionele ringrijden. Dat betekent dat mijn boer en ik, met een antieke sjees (rijtuigje), een Fries paard (Pronkje in dit geval) en uitgedost in klederdracht, te Bolsward moeten verschijnen. Daar gaan we, met een stuk of vijftien vergelijkbare combinaties, strijden om wie er het mooist uitziet én wie de meeste ringen kan steken.

De man ment het paard. Mijn rol als vrouw behelst: naast hem zitten en met een houtje in de vorm van een revolver, ringen uit palen steken. Die palen staan langs de route opgesteld.

Voor dit evenement zijn veel spullen nodig.

‘De kar met de sjees er op is licht. Dat mag. En je kunt het best. Neem de bocht ruim en zorg dat je niet achteruit hoeft te rijden.’

‘Okay dan,’ zucht ik en ga me verkleden.

In mijn boerinnenjurk, in de stijl van 1880, zoef ik later over de snelweg. Het is inderdaad een makkie. Als ik het terrein opdraai, staat er al een tiental paardentrailers en sjezen. Toch is er nog ruimte genoeg om te parkeren. Ik voel me best stoer, maar als ik uit onze landrover spring, blijft mijn onderrok haken en val ik bijna voorover.

‘Oeps,’ roep ik lachend tegen een passerende vrouw.

‘Dag,’ reageert die stoïcijns, terwijl ze een schitterende merrie richting trailer begeleidt.

Zij is in spijkerbroek en t-shirt, maar heeft de traditionele hoofdtooi al op: een muts, met daarover nog een gehaakt mutsje en daarover een gouden oorijzer (een soort helm) en daar weer over een kanten floddermuts. Dit even kostbare als oncomfortabele geheel, is aan weerszijden van het hoofd, met gouden spelden vastgezet. 
Mij doet het vooral aan de kop van een gigantische bromvlieg denken.

Ik kijk om me heen om iemand te vinden, die me zou kunnen helpen met mijn hoofdversiering. Die heb ik nog niet op, omdat het zo lastig is om zelf te doen. Gelukkig vind ik een groepje vrouwen, die elkaar helpen met aankleden en mij ook ter wille zijn. Ik ga helemaal op in de gezellige, opgetogen sfeer: straks zetten we met zijn allen een prachtig cultureel spektakel neer!

Plotseling ontwaar ik mijn boer in de drukte. Toch gek, hoe ik hem meteen herken uit alle andere identiek geklede heren: blauwe kniekousen, kniebroek, pandjesjas, hoge hoed. Hij lacht zijn brede lach naar me.

En niet veel later is alle stress vergeten. Hoog, in het rode fluweel van onze sjees, ratelen we, alle rijtuigen achter elkaar aan, naar het centrum. Daar mogen we in draf. 
Pronkje vliegt over de klinkers en ik wuif naar het publiek. Wie het ringsteken wint, doet er niet toe. Niets doet er meer toe. We suizen door de lucht, omringd door gejuich. 
Mijn boer en ik, prins en prinses.


Groentje