maandag 24 december 2018

Wie vertroetelt hier de koeien?




Onze koeien zien er uit als knuffelberen: zo’n dikke wintervacht hebben ze. Het is al advent, maar ze gaan nog dagelijks naar buiten. Nu is er echter een grens bereikt. Het ochtendmelken is gedaan en aarzeld lopen er een stuk of tien het pad af. De rest blijft in de stal en wijdt zich aan het verorberen van de kuil, die voor het voerhek is geschoven. In het weiland is vrijwel geen voedzaam gras meer te vinden en het weer nodigt ook niet uit. Dus als het begint te plenzen, maakt ook het dappere tiental rechtsomkeer.

Het weideseizoen is voorbij.

Wij krijgen geregeld te horen dat onze koeien toch maar een prachtig leven leiden. Een veel beter leven dan die arme, permanent opgestalde, beesten. Het zijn echter nooit boeren die dat beweren…

Onze koeien worden namelijk niet vertroeteld. Nu worden ze bijgevoerd, maar het grootste deel van het jaar moeten ze hun eigen kostje bij elkaar scharrelen, in weer en wind. Niks geen lekkere hapjes mais, bierbostel, of door de fabrikant perfect uitgebalanceerde brok. Gras en onkruid, daar moeten ze het mee doen. In ruil hiervoor geven ze niet veel melk. Als de koe haar eigen boer kon kiezen, zouden wij beslist niet bovenaan haar lijstje staan!

Maar gelukkig zijn koeien niet de baas. Ik vergelijk deze kwestie wel eens met opvoeding. Als je kinderen hun gang laat gaan, zitten de meeste het liefst de hele dag, met een zak chips, achter een beeldscherm. Dat laat je ook niet gebeuren.

Over jeugd gesproken: de kleine kalfjes staan al een tijdje op stal en de pinken volgen over vijf dagen, maar op dit moment lopen ze nog buiten.

“Ga jij even kijken?” vraagt mijn boer bij het avondeten, “Vanmorgen was alles in orde, maar als ze in de sloot vallen... In het koude water maken ze het niet lang.”

Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om er nog op uit te gaan in dit rotweer. En het is al donker.

De pinken lopen in een weiland zo’n zeven kilometer van onze boerderij. Beschutting is er nauwelijks. Bij slecht weer gaan ze op een kluitje staan, met de konten in de wind. Daarbij schuiven ze steeds een beetje op, tot ze bij een sloot komen en niet verder kunnen.

Regen slaat tegen de voorruit, als ik toch maar naar hun weiland rijd.

Als ik over het hek klim, is het ineens droog. Het wolkendek breekt open en toont een heldere hemel. Alleen door het contrast met de lichten van passerende auto’s, verdwijnen de velden zo nu en dan in een diep duister. Ik loop echter de sterren tegemoet en na een minuut of tien ontwaar ik bultjes in het gras.

Ik had een kleumend groepje verwacht, maar onze pinken liggen ontspannen te baden in het maanlicht. Pas wanneer ik bij ze ben, richten ze zich op. De groep is compleet en ze ogen allemaal gezond. Ik kan naar huis, maar blijf toch nog even. Omringd door die nachtelijke wereld. Genietend van de wind in mijn haar.



Groentje



maandag 3 december 2018

Makker staakt uw wild geraas...



Ik voer een telefoongesprek met mijn dochter en net voor we afsluiten, stelt ze de vraag die ik hoopte dat ze niet zou stellen:
“Is Sophietje al terug?”
“Nee, ik heb haar niet meer gezien.”
Er wonen genoeg katten op het erf, maar die zijn verwilderd. Mijn dochter wilde een poes om te aaien. En die kreeg ze: een glanzend zwart schatje. Bijkomend voordeel was, dat deze het woonhuis muisvrij hield. Nu is mijn dochter op kamers. De poes bleef hier, maar verleden week kwam ze opeens niet meer terug van haar nachtelijke tochten.
“Ik denk dat je de hoop op moet geven.”
Ik probeer warm en flink tegelijk te klinken. Als moeder wil je liefde geven én je kind wapenen tegen de tegenslagen van het leven.

Als we de verbinding verbreken, klinkt er geroffel op het plafond. De hond spitst zijn oren.
Sophietje! flitst het door me heen. Maar nee, katten maken niet zulke geluiden.
“Zijn het ratten?“ vraag ik aan mijn boer.
“Misschien is het Sinterklaas wel.”
“Hè, wat flauw!”
“Ja het zijn vast ratten, wat zouden het anders moeten zijn? Muizen dribbelen veel lichter.”
Ik vind het vervelend dat ik niet weet wat er boven mijn hoofd rondloopt. Alsof je met spoken samenleeft.
“Wrrrrrrefft, wrrr, wrrrr,” klinkt het dan.
Jouke kan zich niet meer inhouden en begint te blaffen.
“Stil!”
Maar hij houdt niet op. Er moet meer aan de hand zijn. Ik ga poolshoogte nemen in de schuur.

Daar is de hoefsmid met ons paard Pronkje bezig. Het buurmeisje slaat hem nauwlettend gade, een vinger in de neus. Ik trek mijn rubberlaarzen aan, voor ik naar ze toe loop.
“Wat doe jij?” hoor ik haar aan de smit vragen.
“Ik geef Pronkje nieuwe hoefijzers. Dat moet van je buurman.”
“O.”
“En omdat het bijna Sinterklaas is, denk ik dat ik haar deze keer maar op dakijzers zet. Dan heeft ze meer grip op de dakpannen, als ze de Sint gaat helpen.”
“O,” zegt het kind weer, denkt even na en komt dan met een bezwaar:
“Maar Sinterklaas heeft al een paard: Amerigo en die is wit.”
“Nou en? Pronkje is zwart, maar stel nu dat Amerigo ziek wordt, dan kan Pronkje toch mooi invallen? Er zijn nu ook witte zwarte Pieten.”
Het buurmeisje kijkt de smit met grote ogen aan. Ik hou mijn adem in en zie haar dan langzaam knikken. Het verhaal is geland.
“Komt Pronkje dan ook op televisie?”
“Je weet maar nooit. Daarom ga ik er nu voor zorgen dat ze er netjes bij loopt.”
“Mag ik haar borstelen?” vraagt het meisje.
“Ja hoor, “maak jij haar maar mooi,” zeg ik en loop naar hun toe.
Ik krijg een vette knipoog van de smit.
“Prachtig toch, die kinderen,” zegt hij, "Zo'n fantasie."
“Ja,” lach ik, “Redden jullie het, of kan ik helpen?”

Later, als ik weer naar de keuken loop, zie ik een zwarte schim tussen de emmers. Even geloof ik dat het Sophietje is. Maar dat zal wel verbeelding zijn.


Groentje